Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
door een feitelijkheid dwingen’ tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Volgens de verdediging kan dit echter niet bewezen worden.
aan haar heeft gezeten”. Op donderdag 12 mei 2016 is zij met [verdachte] bij haar thuis in Heerlen om samen een ‘
joint’ te roken. Aangeefster zat onderuitgezakt op de bank in de kelder. [verdachte] kwam toen tegen haar aanliggen en begon over haar buik te strelen. Zij weet dat zij naar voren boog om deze sigaret af te tippen. Toen ging hij met zijn hand in haar broek en zat hij met zijn vingers tussen haar schaamlippen.
joint’ te roken. Hij ging onder in de kelder weer tegen aangeefster aanhangen. Vervolgens deed hij haar trui omlaag en zat hij aan haar borsten en zoog ook daar aan. [2]
gepakt”. Hij heeft haar borsten gepakt en ging met een hand tussen de benen van [slachtoffer] . Hij heeft het truitje omlaag gedaan van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft haar oma verteld dat het twee keer achter elkaar is gebeurd, te weten: op donderdag en op vrijdag. Op de zaterdag daarna vroeg [slachtoffer] aan [getuige 2] of zij mee wilde gaan wandelen. Tijdens de wandeling begon [slachtoffer] plotseling te huilen en vertelde zij aan [getuige 2] wat er in de kelder tussen haar en [verdachte] was gebeurd. [3]
aan haar had gezeten”, iemand van slachtofferhulp was, genaamd [verdachte] en dat het telefoonnummer van [verdachte] [telefoonnummer] is. [4]
[slachtoffer]’ door Slachtofferhulp Nederland werd gesloten en een evaluatieformulier werd ingevuld, moet in dat verband als onvoldoende worden aangemerkt. Wanneer door de hulpverlener het contact daarna nog wordt voortgezet ligt het op zijn of haar weg om duidelijk te maken dat de hulpverleningsrelatie beëindigd is en dat een eventuele voortzetting van de contacten op vriendschappelijke basis en alleen na instemming van betrokkene kan plaatsvinden. Dat van de zijde van de verdachte op enig moment aan [slachtoffer] onmiskenbaar duidelijk is gemaakt dat de hulpverleningsrelatie was geëindigd, is door de verdachte niet gesteld en daarvan is aan de rechtbank ook niet op andere wijze gebleken. De rechtbank moet het er daarom voor houden dat dit niet is gebeurd, waaruit de conclusie voortvloeit dat het ontuchtig handelen door de verdachte heeft plaats gevonden op een moment dat de relatie met [slachtoffer] het karakter had van hulpverlening.
ontucht plegen’, wanneer die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert, zoals dat hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte daardoor strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat indien deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht,
- wijst afde vordering van de
benadeelde [slachtoffer], wonende te Heerlen; - veroordeelt [slachtoffer] in de kosten van deze procedure en begroot deze kosten tot heden op nihil.