Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
- de minister heeft de bevoegdheid om af te wijken van het advies van het gerechtshof, en
- zijn geval is gelijk aan dat van C.
moetweigeren. Dit betekent ook dat als het gerechtshof oordeelt dat er geen sprake is van een (verplichte) weigeringsgrond, maar de opgelegde straf wel aanpassing behoeft voor de tenuitvoerlegging in Nederland (bijvoorbeeld omdat het Nederlandse wettelijk strafmaximum is overschreden), de minister in de erkenningsbeslissing de straf aanpast overeenkomstig de door het gerechtshof noodzakelijk geachte aanpassing. De minister beslist dus pas nadat het gerechtshof zijn oordeel heeft gegeven. Daarbij betrekt hij in voorkomend geval tevens de toepassing van de facultatieve weigeringsgronden, die niet aan het oordeel van het gerechtshof zijn onderworpen.