Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het standpunt van de veroordeelde en de officier van justitie
4.De beoordeling
vernietigd.
Rechtbank Limburg
De veroordeelde, minderjarig ten tijde van het gepleegde misdrijf mishandeling, werd veroordeeld tot een werkstraf met een voorwaardelijke jeugddetentie. Op bevel van de officier van justitie werd celmateriaal afgenomen voor DNA-bepaling en opname in de landelijke DNA-bank. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze maatregel op grond van artikel 2 lid 1 onder Pro b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, stellende dat de inbreuk disproportioneel is gezien zijn leeftijd, het geringe recidivegevaar en de aard van de opgelegde straf.
De officier van justitie erkende dat in deze specifieke situatie, waarin de veroordeelde als jeugdige first offender werd bestraft met een werkstraf in plaats van een geldboete, geen opsporingsbelang aanwezig was voor DNA-afname. De kinderrechter overwoog dat de wettelijke uitzonderingsgrond slechts in zeer uitzonderlijke gevallen geldt, maar dat hier sprake is van bijzondere omstandigheden die het DNA-onderzoek niet rechtvaardigen.
De kinderrechter stelde vast dat de praktijk waarbij minderjarigen een werkstraf krijgen en meerderjarigen een geldboete, leidt tot een nadelige positie van minderjarigen bij DNA-afname. Dit is in strijd met artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de vernietiging van het afgenomen celmateriaal bevolen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname bij de minderjarige veroordeelde wordt gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.