Uitspraak
Rekestnummer: 17/2114
,
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het standpunt van de veroordeelde en de officier van justitie
4.De beoordeling
vernietigd.
Rechtbank Limburg
De veroordeelde, destijds 14 jaar oud, werd door de kinderrechter Limburg veroordeeld tot een werkstraf voor mishandeling na een ruzie op het schoolplein van een speciale school. Op bevel van de officier van justitie werd celmateriaal afgenomen voor DNA-bepaling en verwerking in de landelijke DNA-bank.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen de DNA-afname op grond van artikel 2, lid 1, onder b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, stellende dat vanwege zijn jeugdige leeftijd, sociaal-emotioneel niveau en de aard van het delict geen opsporingsbelang bestond. De officier van justitie erkende dat de situatie uitzonderlijk was en adviseerde het bezwaar toe te wijzen.
De kinderrechter oordeelde dat de standaardpraktijk waarbij minderjarigen bij een werkstraf DNA-afname ondergaan, terwijl meerderjarigen bij een geldboete daarvan worden uitgesloten, leidt tot een ongelijke en disproportionele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Dit is in strijd met artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro. De ruzie had pedagogisch binnen de schoolsituatie kunnen worden opgelost, waardoor het belang van de veroordeelde prevaleert.
Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de onmiddellijke vernietiging van het afgenomen celmateriaal bevolen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname bij de minderjarige veroordeelde is gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.