Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
[de heer A] en [verweerder] met [mevrouw B] . Beide stellen kenden elkaar al langer en hadden een vriendschappelijke relatie. [mevrouw B] is op enig moment als gevolg van een ongeluk gehandicapt geraakt en daardoor afhankelijk van lichamelijke verzorging. Partijen hebben gekozen voor de aankoop van de woning en het erf omdat de woning geschikt was voor bewoning door twee gezinnen. De woning bestaat uit een voorhuis en een achterhuis. De bedoeling was dat [verzoekster] en [de heer A] alsmede [verweerder] gezamenlijk zorg zouden kunnen dragen voor de dagelijkse verzorging van [mevrouw B] . Uit de relatie van [verzoekster] en [de heer A] is dochter [dochter] geboren. [verzoekster] en [de heer A] zijn in het achterste gedeelte van de woning gaan wonen en [verweerder] en [mevrouw B] zijn in het voorste gedeelte van de woning gaan wonen.
3.Het geschil
€ 500,- per keer dat [verweerder] na betekening van de in deze zaak te wijzen beschikking in gebreke zou zijn zijn medewerking aan die beheersregeling te verlenen, en voorts met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de gemachtigde van [verzoekster] en het griffierecht.