De rechtbank Limburg behandelde op 2 februari 2016 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van diefstal uit een woning, bezit van hennep en een boksbeugel. Verdachte werd vrijgesproken van de diefstal omdat geen wettig bewijs was dat hij in de woning van het slachtoffer was geweest. Technisch onderzoek zoals DNA of vingerafdrukken ontbrak.
Voor het bezit van ongeveer 134 gram hennep en een boksbeugel achtte de rechtbank het bewijs wel overtuigend. Verdachte verklaarde de goederen gekocht te hebben van een derde, maar de rechtbank geloofde dit niet. De straf werd bepaald op basis van de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen van verdachte en het advies van de reclassering.
De rechtbank legde een taakstraf van 30 uur op, met een subsidiaire jeugddetentie van 15 dagen. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht werd in mindering gebracht, waardoor geen resterende werkstraf meer openstond. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn schadevordering wegens het ontbreken van een grondslag.
Het vonnis werd gewezen door drie kinderrechters en uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. Verdachte werd geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep binnen 14 dagen.