Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
feitelijkaanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg zal intreden, in dit geval zwaar lichamelijk letsel bij [naam slachtoffer] . Daarbij mag de aard van het risico en het gevaarzettende karakter van de gedraging geen indicator vormen. De rechtbank overweegt in dit verband dat het hoofd een zeer kwetsbare plek van het lichaam is. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat het met kracht toepassen van geweld op het hoofd zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. De aanmerkelijke kans volgt aldus uit de aard van de handelingen van de verdachte en haar medeverdachte, namelijk het meermalen slaan met de vuisten tegen het hoofd en het met geschoeide voet schoppen op en tegen het hoofd en het bovenlichaam van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte en haar medeverdachte, mede gelet op de camerabeelden, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte en haar medeverdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg hebben aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor het primaire feit tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;
- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:
- zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, of
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, of
- geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- verstaat dat het toezicht kan worden overgedragen aan de jeugdreclassering, zodra de (volwassenen)reclassering dit nodig acht;
- veroordeelt de verdachte voor het primaire feit tot een taakstraf voor de duur van 120 uren;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;
2 februari 2016.
2 februari 2016in de zaak tegen: