Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
Subsidiair wordt hem rijden onder invloed en gevaarlijk en/of hinderlijk rijgedrag verweten.
3.De beoordeling van het bewijs
s. [6]
1. te bepalen wat de botssnelheden van de beide betrokken voertuigen (Audi A7 en Fiat Seicento 900 SPI) is geweest en;
2. onderzoek te doen naar de mate van verwijtbaarheid en/of vermijdbaarheid met betrekking tot één van de beide betrokken bestuurders aangaande het ontstaan, toedracht en gevolgen van het verkeersongeval.
PC-crash rekent op basis van de wet van behoud van impuls en draai-impuls en er wordt gebruikt gemaakt van de massa’s en snelheden van de botsende voertuigen. Als gevolg van de botsing zal PC-crash per betrokken voertuig een uitlooprichting en –snelheid berekenen. Daarnaast zal PC-crash op basis van de wet van behoud van energie, per voertuig een waarde genereren (de EES-waarde). Deze waarde is een maat voor de deformatie aan het betreffende voertuig.
Met dit alles is het mogelijk de uitloopbewegingen zo natuurgetrouw mogelijk te simuleren. Het resultaat is een simulatie waarbij één of meerdere voertuigen nagenoeg op hun eindpositie eindigen en zoveel mogelijk het traject volgen dat in werkelijk ook is afgelegd naar de eindpositie(s). Uiteindelijk kan aan de hand van de werkelijke uitloopbewegingen, de sporen op de plaats van het ongeval en de schades aan de betrokken voertuigen een inschatting worden gemaakt van hoe realistisch de simulatie is.
1.de uitloopbewegingen van de betrokken voertuigen;
De resultaten van de snelheidsberekening van de Audi zijn benoemd in het rapport van het NFI in een 4-tal kansniveau’s. De conclusie van dit NFI-onderzoek luidt: “Op basis van de uitgangspunten als genoemd in dit rapport is er een kans van 99% dat de snelheid van de Audi, direct voorafgaande aan de botsing, hoger dan 70 km/u en een kans van 99% dat de snelheid van de Audi, direct voorafgaande aan de botsing, lager was dan 137 km/u. Het NFI vermeldt nog dat de snelheid van de Fiat wel onderdeel is van de berekening, maar geen onderzoeksdoel is.
1. De geautomatiseerde berekening is zolang herhaald tot er 1000 passende resultaten waren verkregen. De berekeningen, die in het resultaatgebied de uitersten aangeven, geven geen beeld van de waarschijnlijkheid van het resultaat van de individuele berekening.
3, De botssnelheid van de Fiat is door de onderzoekers van het NFI aangenomen tussen de 0 en 50 km/u. In casu zijn berekeningen met een snelheid hoger dan 25 á 30 km/u echter niet realistisch.
- De indicatieve botssnelheid van de Audi bedroeg 105 km/u en die van de Fiat 4 km/u.
- De indicatieve botsnelheid van de Audi is gelegen binnen het bereik van het NFI-onderzoek.
- Op basis van de dynamische vermijdbaarheid beschouwing bleek dat er toch een aanrijding zou hebben plaatsgevonden indien de bestuurder van de Audi in plaats van 105 km/u met de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 70 km/u zou hebben gereden, echter zou de botsconfiguratie en de daarmee samenhangende gevolgen wijzigen en verminderen.
- Uit de dynamische
- Op basis van de indicatieve botssnelheden had de bestuurder van de Audi zijn voertuig vóór de vastgestelde botsplaats tot stilstand kunnen brengen wanneer deze had gereden met de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 70 km/u.
0,93 milligram alcohol per milliliter bloed.
Verdachte was onder invloed van alcohol (0,93 milligram alcohol/ milliliter bloed) en hij reed beduidend harder dan ter plaatse is toegestaan. Verdachte kent de weg goed en weet ook dat het kruispunt met de Johan Willem Frisolaan een gevaarlijk punt is, zo heeft hij op de zitting verklaard. Hij zag op enig moment ook 2 auto’s staan op de Johan Willem Frisolaan, waarvan hem naar eigen zeggen duidelijk was dat die voornemens waren de Ringbaan-Zuid in de richting waar hij vandaan kwam, op te rijden. Verdachte heeft ook verklaard dat hij de eerste auto de Ringbaan-Zuid op heeft zien draaien. Dit alles was voor de verdachte (blijkbaar) geen aanleiding om zijn snelheid terug te brengen.
In het VOA-rapport is in de berekening uitgegaan van een optrekkende Fiat. Uit het sporenonderzoek kon niet blijken of de Fiat alvorens het kruispunt op te rijden was gestopt dan wel was doorgerold/ doorgereden met een zekere niet vast te stellen snelheid.
De redenering van [M.] dat voor de Fiat bij het optrekken een snelheid van 16 km/u een reële is, kan in zijn algemeenheid niet als onjuist worden benoemd. Het is echter ook niet uit te sluiten, zo wordt in het aanvullend proces-verbaal gesteld, dat door de bestuurder van de Fiat gedurende het oprijden, als mogelijke reactie op dreigend ongevalsgevaar, nog in zekere mate is afgeremd (remmen/ gas loslaten).
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
Dit is een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist.
De rechtbank zal aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar.
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
, de moeder van [slachtoffer] .
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor het feit tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit ;
- veroordeelt de verdachte voor het feit tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 jaar;
- bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd , welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
- bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs ingevoerd is geweest bij een eventuele tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid geheel in mindering zal worden gebracht.
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk in haar vordering;
- verstaat dat verdachte het gevorderde bedrag vergoedt aan [benadeelde partij] .