Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2016 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
dat de relatie tussen een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad nimmer een zakelijke relatie kan zijn, redelijke en objectieve gronden te ontlenen voor het in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, gemaakte onderscheid. De rechtbank stelt vast dat voormeld uitgangspunt weliswaar te absoluut is geformuleerd maar acht het in overeenstemming met de maatschappelijk realiteit dat dit slechts bij hoge uitzondering anders zal zijn. Voor de conclusie dat in dit geval van zo’n uitzondering sprake is, ziet de rechtbank in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid en dat artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw niet in strijd is met artikel 14 EVRM Pro.
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2016.