Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het verweer
nahet bereiken van de in dat artikel bedoelde “aow”-leeftijd, zodat geen transitievergoeding aan [verzoeker] verschuldigd is.
Rechtbank Limburg
De werknemer, geboren in 1944, was sinds 2000 in dienst bij Prika Dairy Industry B.V. en werkte als technisch projectmedewerker/bedrijfsleider. De arbeidsovereenkomst werd opgezegd met toestemming van het UWV, met ingang van 1 april 2016, nadat de werknemer de AOW-leeftijd had bereikt.
De werknemer vorderde betaling van een transitievergoeding, een billijke vergoeding wegens vermeend onrechtmatig ontslag, en uitbetaling van niet-genoten verlofuren. Prika verweerde zich met het standpunt dat de transitievergoeding niet verschuldigd is omdat het dienstverband eindigde ná het bereiken van de AOW-leeftijd en dat het ontslag niet onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat de transitievergoeding niet verschuldigd is omdat het dienstverband niet in verband met, maar ná het bereiken van de AOW-leeftijd eindigde. Het verzoek tot billijke vergoeding werd afgewezen omdat het ontslag niet in strijd was met de wet en de werkgever het reorganisatiebesluit mocht nemen. De vordering tot uitbetaling van resterende verlofaanspraken werd eveneens afgewezen, omdat partijen afspraken hadden gemaakt over verlof en de werknemer onvoldoende onderbouwing gaf.
De proceskosten werden aan de werknemer opgelegd. De beschikking werd op 30 juni 2016 door kantonrechter J.W. Rijksen in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot transitievergoeding, billijke vergoeding en uitbetaling van verlofaanspraken af.