Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
feiten 1 primair, 2, 4, 5 en 6wettig en overtuigend bewezen. Nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt van enige betrokkenheid aan de hennepkwekerij in het pand aan de [adres] te Horn, vordert de officier van justitie vrijspraak van dit onderdeel van de tenlastelegging (
feit 1) en van de diefstal van stroom aldaar (
feit 3). Verder acht de officier van justitie niet bewezen dat verdachte handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf (
feit 1).
feit 1). De rol van verdachte in de criminele Opiumwet-organisatie is eveneens bewijsbaar, nu verdachte heeft meegewerkt aan het opzetten van constructies en dwaalsporen en zij feitelijke betrokkenheid had bij één kwekerij. Haar rol is duidelijk ondergeschikt, maar zij heeft haar rol op zich genomen en is daarmee deel geweest van de criminele Opiumwet-organisatie (
feit 2). Degene die kweekt, is degene die steelt; de diefstal van stroom kan derhalve worden bewezen (
feit 4). Door af en toe een bedrijf of auto op haar naam te zetten, kan eveneens worden bewezen dat verdachte deel uitmaakte van de organisatie gericht op (gewoonte)witwassen en valsheid in geschrift (
feit 5).
feiten 2 tot en met 6. Ter zake de hennepteelt (
feit 1) heeft hij eveneens vrijspraak bepleit ten aanzien van het pand [adres] te Horn. Voor het pand [adres] te Haelen heeft hij vrijspraak bepleit ten aanzien van de primaire variant, waarbij overigens wel sprake kan zijn van medeplichtigheid zoals subsidiair ten laste gelegd, maar niet met een beroeps- of bedrijfsmatig karakter. Ter zake het witwassen (
feit 6) heeft hij ten aanzien van de BMW M3 subsidiair aangevoerd dat bij eventuele bewezenverklaring de periode aanzienlijk verkort dient te worden, gelijk aan de periode van tenaamstelling.
feit 4) en dus ook wetenschap had van een criminele Opiumwet-organisatie (
feit 2), laat staan hieraan deelnam. Voorts blijkt niet van enige bijdrage aan dan wel opzet op deelname aan de criminele organisatie ex art. 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) (
feit 5).
tapgesprektussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] .
- gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband;
- gericht op het plegen van misdrijven;
- waaraan verdachte willens en wetens een bijdrage levert.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
2, 3, 4, 5en
6ten laste gelegde feiten;
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor feit 1 primair tot een voorwaardelijke
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van
- verklaart de benadeelde partij [bedrijf 2] (d.t.v. [naam kantoor] Advocaten), p/a [adres] te Eindhoven, niet-ontvankelijk in haar vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.
- (gewoonte)witwassen (art. 420bis en/of 420ter van het Wetboek van Strafrecht) en/of
- valsheid in geschriften (art. 225 lid 1 en Pro 2 van het Wetboek van Strafrecht);