ECLI:NL:RBLIM:2016:3869

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 mei 2016
Publicatiedatum
4 mei 2016
Zaaknummer
4957024 CV EXPL 16-3306
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:271 lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens huurachterstand in kort geding

Eisers verhuurden sinds 2011 een zelfstandige woonruimte tegen een huurprijs die in 2015 werd verlaagd. Vanaf enkele maanden na aanvang van de huur ontstonden betalingsachterstanden, die medio 2013 leidden tot inschakeling van een mediator. In november 2015 werd een nieuwe huurovereenkomst gesloten met een huurprijs van €710 per maand. Vanaf die datum ontstond opnieuw een huurachterstand.

Eisers vorderden in kort geding ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning binnen drie dagen, betaling van de achterstallige huur en wettelijke rente, en proceskostenvergoeding. De kantonrechter oordeelde dat ontbinding in kort geding niet mogelijk is, maar stelde vast dat de huurachterstand niet was betwist en voldoende was om ontruiming en betaling te gelasten.

De ontruimingstermijn werd gesteld op twee weken na betekening van het vonnis. Daarnaast werd de bewindvoerder veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, de huur voor de periode na april 2016 tot ontruiming, wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Bewindvoerder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken en betaling van huurachterstand met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Burgerlijk recht
Zaaknummer 4957024 CV EXPL 16-3306
Vonnis in kort geding van 4 mei 2016
in de zaak van
[eiser sub 1] ,
en
[eiseres sub 2]
beiden wonend te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. A.B. [naam mediator]
tegen
[bewindvoerder] ,in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van
[naam onderbewindgestelde] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. H. Kraimi.
Partijen zullen verder [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] (dan wel eisers gezamenlijk), [bewindvoerder] en [naam onderbewindgestelde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het exploot van dagvaarding d.d. 8 april 2016
  • de mondelige behandeling ter zitting van 18 april 2016 en de door de gemachtigde van [eiser sub 1] voorgedragen pleitnota.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres sub 2] verhuurt sinds 1 augustus 2011 de zelfstandige woonruimte staande en gelegen te [woonplaats 2] aan de [adres] (verder te noemen: de woning) tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 750,00 per maand (productie 2), welke huurprijs in februari 2015 is verlaagd tot € 710,00 per maand.
2.2.
Naar aanleiding van - onder meer - het gegeven dat [naam onderbewindgestelde] reeds na enkele maanden (vanaf ingangsdatum huur) de huur niet tijdig en geheel betaalde en in 2013 sprake is geweest van een huurachterstand van drie maanden, hebben eisers zich medio 2013 tot
[naam mediator] als mediator voornoemd gewend om hun belangen te behartigen.
2.3.
Op 18 november 2015 heeft [naam onderbewindgestelde] een door [naam mediator] opgestelde vaststellingsovereenkomst ondertekend alsmede een eveneens door [naam mediator] opgestelde tijdelijke huurovereenkomst ten aanzien van de woning, ingaande 1 december 2015 tot 1 juni 2016 (productie 1).

3.De vordering en het geschil

3.1.
Eisers vorderen ontbinding van de bestaande huurovereenkomst met veroordeling van [bewindvoerder] q.q. om de woning met aanhorigheden binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden met al het hare en de haren en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisers te stellen.
Daarnaast vorderen eisers de veroordeling van [bewindvoerder] q.q. tot betaling van € 2.640,00 als zijnde de tot en met april 2016 onbetaald gelaten huur, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2016 tot aan de dag van voldoening, alsmede € 710,00 per maand voor iedere ingegane maand vanaf mei 2016 tot het tijdstip van de ontruiming en onder verwijzing van [bewindvoerder] q.q. in de proceskosten.
3.2.
Volgens eisers is in de nieuwe huurovereenkomst een huurprijs van € 710,00 per maand overeengekomen ingaande 1 december 2015 (zoals die ook daarvoor vanaf februari 2015 gold), doch is vanaf november 2015 een (nieuwe) huurachterstand ontstaan, die als volgt is opgebouwd:
maand betaald achterstand achterstand cumulatief
november 2015 € 510,00 € 200,00 € 200,00
december 2015 € 200,00 € 510,00 € 710,00
januari 2016 € 200,00 € 510,00 € 1.220,00
februari 2016 € 710,00
maart 2016 € 0,00 € 710,00 € 1.930,00
april 2016 € 0,00 € 710,00
€ 2.640,00.
3.3.
[bewindvoerder] q.q. heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In kort geding, waarin slechts een (onmiddellijke)
voorzieningkan worden getroffen, komt de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst hoe dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. Dat zou immers een constitutieve beslissing zijn.
4.2.
Eisers hebben een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming, gelegen in het voorkomen van een verder oplopende huurachterstand.
4.3.
Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, dient met een redelijke mate van zekerheid aangenomen te kunnen worden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze - of een vergelijkbare - vordering zal slagen. Bij de beoordeling in dit kort geding kan dus slechts een voorlopig oordeel worden gegeven en deze beoordeling moet geschieden op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.
4.4.
Het meest ver strekkende verweer, inhoudend dat eisers niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen omdat zij niet de verhuurders van de woning zijn, faalt. Weliswaar vermeldt zowel de vaststellingsovereenkomst als de huidige huurovereenkomst [naam mediator] als verhuurder, doch uit alle overige stellingen en producties blijkt genoegzaam dat zij daarbij is opgetreden als gemachtigde van eisers en dat eisers zelf (althans in ieder geval [eiseres sub 2] , nu de huurovereenkomst bepaalt dat de huur op een rekening van laatstgenoemde gestort dient te worden) de verhuurders van de woning zijn (en niet [naam mediator] ). Dat eisers verder in genoemde overeenkomsten niet expliciet als verhuurders genoemd worden (en zelfs de overeenkomsten niet ondertekend hebben), verdient bepaald niet de schoonheidsprijs, maar doet aan het voorgaande niet af.
4.5.
Wat evenmin de schoonheidsprijs verdient is het gegeven dat in art. 7.4 van de huidige huurovereenkomst staat dat de ‘eerste betaalperiode’ betrekking heeft op de periode
1 december 2015 tot en met 1 juni 2016 en dat het over ‘deze eerste periode’ verschuldigde bedrag € 710,00 bedraagt. Gelet op het bepaalde in art. 7.3 van de overeenkomst (“
Per betaalperiode van één maand bedraagt de huurprijs € 710,00”), alsmede gelet op het feit dat de huur vóór het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst € 710,00
per maandbedroeg, betreft het bepaalde in art 7.4 een klaarblijkelijke omissie (er had moeten staan: € 710,00
per maand), en het verweer op dit punt lijkt dan ook tegen beter weten in te worden gevoerd
(temeer gelet op de door eisers gestelde en onbetwist gebleven betalingen zoals genoemd onder 3.2.). Geheel ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat [naam mediator] , gezien de in de door haar opgestelde huurovereenkomst opgenomen bepaling 6.2 (“
Indien in 6.1 een bepaalde tijd is opgenomen en deze periode verstrijkt zonder opzegging, loopt de overeenkomstnietvoor onbepaalde tijd door.”) zich niet voldoende bewust lijkt te zijn van de huurbeschermende bepaling in art. 7:271 lid 7 tweede Pro volzin BW, op grond waarvan een dergelijk beding immers nietig is.
4.6.
De geconstateerde slordigheden in de huurovereenkomst en het gebrekkige procedeerwerk van eisers kunnen [bewindvoerder] q.q. uiteindelijk echter niet baten, nu de door eisers gestelde huurachterstand zoals genoemd en toegelicht als onder 3.2 niet is betwist en daarmee in deze procedure vaststaat. De omvang van die huurachterstand rechtvaardigt de gevorderde veroordelingen tot ontruiming en tot betaling van de achterstallige (en nog te vervallen) huur tot aan de ontruiming inclusief de gevorderde wettelijke rente, zodat die vorderingen zullen worden toegewezen, zij het dat de ontruimingstermijn op twee weken wordt gesteld.
4.7.
[bewindvoerder] q.q. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van eisers tot de datum van dit vonnis begroot op € 775,02, bestaande uit € 600,00 aan salaris gemachtigde, € 79,00 aan griffierecht en € 96,02 aan explootkosten.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [bewindvoerder] q.q. om de zelfstandige woonruimte met aanhorigheden staande en gelegen te [woonplaats 2] aan de [adres] met al hetgeen dat en degenen die zich daarin of daarop van harentwege bevinden binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisers te stellen,
5.2.
veroordeelt [bewindvoerder] q.q. om tegen bewijs van kwijting aan eisers € 2.640,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2016 tot aan de dag van voldoening,
5.3.
veroordeelt [bewindvoerder] om tegen bewijs van kwijting aan eisers € 710,00 te betalen voor iedere ingegane maand vanaf 1 mei 2016 tot het tijdstip van de ontruiming,
5.4.
veroordeelt [bewindvoerder] q.q. tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van eisers tot de datum van dit vonnis begroot op € 775,02,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.
RK