De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Limburg om het ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige dochter te beëindigen en Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant tot voogd te benoemen. De moeder is veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van moord op de vader van het kind. De Raad stelde dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de zorg en opvoeding kan dragen en dat er een ethisch dilemma bestaat vanwege de betrokkenheid van de moeder bij de dood van de vader.
De moeder, haar zussen (tantes van het kind) en de bijzondere curator stelden dat de rechtbank Limburg bevoegd is, maar dat het verzoek voorbarig is omdat de veroordeling in hoger beroep is. Zij benadrukten de goede zorg en betrokkenheid van de familie en de moeder, ook vanuit detentie, en dat het kind zich goed ontwikkelt. De tantes verzorgden het kind en werden begeleid door WIJEindhoven.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging zoals vereist voor gezagsbeëindiging. De moeder is nog in hoger beroep, het kind heeft een stabiele en liefdevolle omgeving, en de moeder blijft betrokken via contact. Moreel-ethische problemen zijn aanwezig, maar vormen geen grond voor beëindiging. Het verzoek van de Raad werd daarom afgewezen en het gezag van de moeder blijft gehandhaafd.