Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
4.De beslissing
4 maart 2016.
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het verspreiden en bezitten van kinderpornografisch materiaal in de periode van 1 november 2012 tot en met 31 januari 2013.
Tijdens de zitting op 19 februari 2016 werden standpunten van zowel de officier van justitie als de verdediging besproken. De officier van justitie stelde dat verdachte kinderpornografisch materiaal had verspreid en bezeten, terwijl de verdediging betoogde dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte dit in de tenlastegelegde periode heeft gedaan.
Het bewijs bestond onder meer uit chats via Skype waarin bestanden werden uitgewisseld, een internettap waaruit bleek dat bestanden via het IP-adres van verdachte waren geüpload, en een inbeslagname van een computer met daarop kinderpornografisch materiaal. De rechtbank kon echter niet vaststellen of de bestanden op de computer ook al in de tenlastegelegde periode aanwezig waren.
Gezien het ontbreken van voldoende bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde. Verdachte erkende wel dat hij tot ongeveer een half jaar voor de huiszoeking kinderporno had gehad, maar dit was buiten de tenlastegelegde periode.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van bezit en verspreiding van kinderpornografisch materiaal in de tenlastegelegde periode.