Eiser, geboren in 1943, ontvangt sinds februari 2008 een AOW-pensioen met een korting van 6% wegens een niet-verzekerde periode van drie jaar. Daarnaast is in 2011 een extra korting van 2% toegepast vanwege een schuldig nalatig verklaring, die in eerdere procedures onherroepelijk is vastgesteld.
In 2014 heeft verweerder het besluit genomen om de tegemoetkoming Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB) te vervangen door een inkomensondersteuning AOW, waarbij het bedrag werd aangepast op basis van het gekorte AOW-pensioen. Eiser betwistte dat de korting van 2% terecht was toegepast, maar erkent de vervanging van de tegemoetkoming KOB door de inkomensondersteuning.
De rechtbank oordeelt dat de rechtsgevolgen van de korting van 2% vaststaan en dat de inkomensondersteuning daarom terecht is berekend op 92% van het volledige bedrag. De discussie over de rechtmatigheid van de korting kan in deze procedure niet opnieuw worden gevoerd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.