Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
feit 1 subsidiair nietig;
Vrijspraak
vrijvan
feit 1 primair.
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen verdachte die als chauffeur optrad voor meerderjarige prostituees uit Hongarije. De officier van justitie legde verdachte primair mensenhandel ten laste en subsidiair medeplichtigheid, maar de dagvaarding voor medeplichtigheid werd nietig verklaard wegens onjuiste formulering.
De feiten betroffen het ophalen van twee vrouwen van het vliegveld Eindhoven, die als prostituee werkzaam waren in een saunaclub. Uit het dossier bleek dat de vrouwen vrijwillig als gezelschapsdames werkten en dat verdachte geen geld vroeg of ontving voor het vervoer. Er was geen bewijs dat verdachte een bijdrage leverde aan het beknotten van de vrijheid van de vrouwen.
De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat voor mensenhandel een verwijtbare bijdrage aan de beknotting van vrijheid vereist is. Omdat verdachte zelf klant was van de club en geen aanwijzingen voor dwang had, werd hij vrijgesproken van mensenhandel. De verweren van de raadsman werden verder niet behandeld omdat geen onrechtmatige gedraging was vastgesteld.
De dagvaarding voor medeplichtigheid werd nietig verklaard omdat de officier van justitie niet had opgenomen dat verdachte aan onbekende personen gelegenheid of middelen had verschaft om het misdrijf te plegen. Hierdoor kon deze tenlastelegging niet in stand blijven.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit en verklaarde het subsidiair ten laste gelegde nietig.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van mensenhandel wegens ontbreken van verwijtbare bijdrage aan beknotting van vrijheid.