Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het onderzoek van de zaak
9 januari 2015.
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
- is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;
- is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;
- zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;
- zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
4.De beoordeling van het bewijs
Blijkens het proces-verbaal van aangifte d.d. 4 september 2014, doet aangever [slachtoffer] aangifte van diefstal met geweld in zijn woning omstreeks 3 september 2014. Bij deze overval zou gebruik zijn gemaakt van (op) vuurwapens (gelijkende voorwerpen). Volgens aangever werd deze overval door verdachte en twee andere mannen gepleegd. Blijkens het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 16 september 2014, werd op 15 september 2014 de woning van verdachte binnengetreden ter doorzoeking op basis van artikel 49 van Pro de Wet Wapens en munitie.
de € 250,-, doch dat deze veeleer zijn gebruikt om aangever ervan te doordringen de politie niet in te schakelen. Om die reden kan niet worden bewezen dat deze bewoordingen zijn gezegd met het oogmerk om de aangever te dwingen tot de afgifte van dit geldbedrag. De afgifte van de € 250,- was, naar het oordeel van de rechtbank gekoppeld aan het terugkrijgen van de auto. [slachtoffer] werd door [medeverdachte] voorgehouden dat [medeverdachte] ervoor kon zorgen dat [slachtoffer] zijn auto terug zou krijgen. Daarvoor zou [slachtoffer] aan [medeverdachte] dan wel
€ 250,- moeten betalen, een soort “bemiddelingskosten”.
5.De beslissing
vrijvan het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde.
mr. J. Wöretshofer en mr. C.M.W. Nobis, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. F.F. Driessen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 23 januari 2015.