Uitspraak
Rechtbank Limburg
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het verweer
5.De beoordeling
rechtbank: verder te noemen: PGB) ter hoogte van € 18.000,-- per jaar.
Rechtbank Limburg
De vader verzocht de rechtbank om met terugwerkende kracht de onderhoudsbijdrage voor zijn inmiddels 21-jarige zoon te wijzigen, met ingang van 1 september 2012 te verlagen naar €50 per maand. De zoon, die een WAJONG-uitkering ontvangt, verzocht zelfstandig om een hogere bijdrage van €275 per maand vanaf zijn 21e verjaardag.
De rechtbank oordeelde dat de vader onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een afspraak bestond over de verlaging van de bijdrage. De zoon had onvoldoende onderbouwd dat zijn kosten de WAJONG-uitkering overstijgen en dat hij behoefte heeft aan een hogere bijdrage. Het persoonsgebonden budget (PGB) dat de zoon ontvangt, werd buiten beschouwing gelaten omdat dit uitsluitend bestemd is voor hulp gerelateerd aan zijn invaliditeit.
De rechtbank maakte onderscheid tussen de periode van 18 tot 21 jaar, waarin de onderhoudsplicht gebaseerd is op behoefte, en de periode vanaf 21 jaar, waarin alleen bij behoeftigheid een onderhoudsplicht geldt. Gezien de omstandigheden en jurisprudentie achtte de rechtbank de WAJONG-uitkering voldoende om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. De onderhoudsbijdrage werd derhalve vastgesteld op €50 per maand vanaf 1 september 2012. Het verzoek van de zoon werd afgewezen en de proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.
Uitkomst: De onderhoudsbijdrage van de vader aan de zoon wordt vastgesteld op €50 per maand vanaf 1 september 2012; het verzoek van de zoon wordt afgewezen.