ECLI:NL:RBLIM:2014:7932

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 september 2014
Publicatiedatum
15 september 2014
Zaaknummer
03/721820-13
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen een politieagent

In deze zaak heeft de Rechtbank Limburg op 12 september 2014 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van openlijk in vereniging geweld plegen tegen een politieagent. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De zaak kwam voort uit een incident op 1 november 2013 in Maastricht, waarbij de verdachte samen met een medeverdachte de politieagent, die in zijn vrije tijd zijn hond aan het uitlaten was, fysiek aanviel. De rechtbank oordeelde dat de verdachte en zijn medeverdachte de agent hadden ingesloten en hem op agressieve wijze belaagd, omdat zij dachten dat hij het kenteken van hun scooter zou opnemen. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte openlijk in vereniging geweld had gepleegd en de agent had bedreigd met zware mishandeling. De rechtbank weegt zwaar dat de feiten zijn gepleegd tegen een politieagent, wat de ernst van het delict vergroot. De verdachte had eerder al veroordelingen voor geweldsdelicten, wat ook meeweegt in de strafmaat. De rechtbank benadrukte het belang van de bescherming van overheidsfunctionarissen, ook in hun vrije tijd, en legde een gevangenisstraf op die recht doet aan de ernst van de feiten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03/721820-13
Datum uitspraak: 12 september 2014
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,
in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren te [geboortegegevens verdachte],
zonder vaste woon- of verblijfplaats.
Raadsman is mr R.M.J. van den Boom, advocaat te Eindhoven.

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 29 augustus 2014.
De rechtbank heeft op 29 augustus 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht terzake dat:
1.
hij op of omstreeks 1 november 2013 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam benadeelde partij 1] met kracht heeft/hebben geduwd en/of heeft/hebben bespoten met pepperspray, in elk geval met een bijtende en/of brandende (vloei)stof en/of heeft/hebben geslagen met een (zware) ketting, in elk geval (van korte afstand) met voornoemde ketting zwaaiende en/of slaande bewegingen heeft/hebben gemaakt naar die [naam benadeelde partij 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:
hij op of omstreeks 1 november 2013 in de gemeente Maastricht met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Moletteplein en/of Pergamijndonk en/of Speciedonk, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam benadeelde partij 1], welk geweld bestond uit het (met kracht) duwen van die [naam benadeelde partij 1] en/of uit het spuiten met pepperspray, in elk geval met een bijtende/brandende (vloei)stof, naar die [naam benadeelde partij 1] en/of uit het slaan met een ketting op die [naam benadeelde partij 1], in elk geval (van korte afstand) met voornoemde ketting zwaaiende en/of slaande bewegingen maken naar die [naam benadeelde partij 1], en welk door hem en/of zijn
mededader gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [naam benadeelde partij 1] ten gevolge heeft gehad;
meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:
hij op of omstreeks 1 november 2013 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam benadeelde partij 1]) met kracht heeft/hebben geduwd en/of heeft/hebben bespoten met pepperspray, in elk geval met een bijtende en/of brandende (vloei)stof en/of heeft/hebben geslagen met een (zware) ketting waardoor voornoemde [naam benadeelde partij 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
2.
hij op of omstreeks 1 november 2013 in de gemeente Maastricht [naam benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam benadeelde partij 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga je op jouw bek slaan" en/of "Nou ga ik je kapot maken" en/of "Ik maak jou kapot" en/of "Ik sla jou kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op of omstreeks 1 november 2013 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd terzake van het onder 1 primair tenlastegelegde, nu de in de tenlastelegging genoemde geweldshandelingen noch op zichzelf noch in samenhang bezien de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleveren. Wel acht de officier van justitie het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Voor het bewijs acht de officier van justitie redengevend de aangifte van [naam benadeelde partij 1] en de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2]. Voorts acht de officier van justitie het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Daarbij heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van [naam benadeelde partij 1], aan welke verklaring, gelet op de omstandigheid dat deze verklaring door een opsporingsambtenaar is opgesteld, doorslaggevende bewijskracht toekomt.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten. Het bewijs in de onderhavige strafzaak is volgens de raadsman uitsluitend gestoeld op de verklaringen van de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 1]. De verklaringen van de getuige [naam getuige 2] dienen als onbetrouwbaar te worden aangemerkt en kunnen derhalve niet voor het bewijs worden gebezigd. [naam getuige 2] heeft immers in strijd met de waarheid bij de rechter-commissaris verklaard geen drugs te gebruiken en na het verbreken van de relatie met verdachte geen affectieve relatie meer te hebben gehad. Bij bewijsuitsluiting van de verklaringen van [naam getuige 2] kan de bewezenverklaring, gelet op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak [V.] tegen Nederland (nr. 29353/06, 10 juli 2012), niet in belangrijke mate gestoeld worden op de verklaring van getuige [naam getuige 1], daar [naam getuige 1] zich bij de rechter-commissaris heeft beroepen op haar verschoningsrecht ten gevolge waarvan de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [naam getuige 1] te doen horen omtrent haar voor verdachte belastende verklaring.
3.3
Het oordeel van de rechtbankFeiten 1 en 2
Het bewijs [1]
Op zaterdag 2 november 2013 deed [naam benadeelde partij 1] (hierna: aangever) aangifte terzake van (zware) mishandeling dan wel openlijke geweldpleging en bedreiging. [2] [naam benadeelde partij 1], politieagent van beroep, was op 1 november 2013, omstreeks 13:30 uur, zijn hond aan het uitlaten op/aan het Moletteplein te Maastricht. Om de bal van de hond weg te kunnen gooien, had aangever een plastic werpstok bij zich. Terwijl aangever doende was met het uitlaten van zijn hond, hoorde hij dat een scooter met twee opzittenden hem van links naderde. Toen de scooter aangever passeerde hoorde hij dat één van de opzittenden zei: ‘Die wout neemt jouw kenteken’. Vervolgens zag hij dat de snelheid van de scooter verminderde, dat de bestuurder de scooter keerde en dat de scooter wederom in zijn richting kwam gereden. [3] Nog voordat de scooter voor aangever tot stilstand was gekomen, sprong de passagier van de scooter. Al schreeuwend en zwaaiend met zijn armen liep de passagier naar aangever. Aangever zag dat de passagier hem met één van zijn handen met kracht achteruit duwde. De bestuurder van de scooter had de scooter inmiddels op de standaard gezet. [4] Vervolgens zag aangever dat de passagier een voorwerp, qua kleur en afmeting gelijkend op een busje pepperspray, uit de linkerbinnenzak van zijn jas pakte. De passagier richtte de spuitbus op het gezicht van aangever, waarna aangever een spuitend geluid hoorde en een prikkelende lucht in zijn neus rook. Doordat aangever een ontwijkende beweging maakte, kwam de vloeistof alleen op zijn rechterarm/borstkas terecht. Teneinde zich te verdedigen sloeg aangever de passagier met de plastic werpstok vol in het gezicht, waardoor het gezicht van de passagier begon op te zwellen. De passagier riep daarop tegen aangever: ‘Nou ga ik je kapot maken’. Aangever zag dat de passagier daarna een ijzeren ketting van ongeveer een meter lang, afkomstig uit de buddyseat van de scooter, om zijn rechterhand/polsgewricht wikkelde. [5] Met de ijzeren ketting maakte de passagier vervolgens zwaaibewegingen in de richting van aangever. De passagier slaagde er niet in om aangever te raken. Aangever deinsde achteruit en probeerde een veilige afstand te creëren tussen hem en de passagier door middel van de plastic werpstok. Toen aangever ter hoogte van de kruising Speciedonk/Pergamijndonk te Maastricht was, draaide hij zich om en rende hij in de richting van zijn woning, gelegen aan de Pergamijndonk 208 te Maastricht. Ondertussen zag hij dat de bestuurder van de scooter naar de scooter liep. De passagier zette te voet de achtervolging in op aangever en probeerde hem met de ijzeren ketting te raken. Op het moment dat aangever ter hoogte van perceel Pergamijndonk 202/204 was, zag hij dat hij door de bestuurder van de scooter werd ingehaald. De bestuurder parkeerde de scooter op het trottoir ter hoogte van de oprit van de woning van aangever. [6]
Aangever bleef doorrennen totdat hij op zijn eigen oprit stond. Inmiddels was ook de passagier aangekomen bij de oprit van aangever. De passagier schreeuwde aldaar tegen aangever: ‘Ik maak jou kapot en/of ik sla jou kapot’. Voorts probeerde de passagier opnieuw om aangever met de ijzeren ketting te raken. Uiteindelijk slaagde aangever erin om zijn woning in te vluchten. [7]
Getuige [naam getuige 3], die op 1 november 2013, omstreeks 13:30 uur met zijn personenauto over de Pergamijndonk te Maastricht reed, nam waar dat er een scooter op het trottoir voor de oprit van een woning stond. [8] [naam getuige 3] wist dat in deze woning een politieman woonde. Hij zag dat een voor hem onbekende man bij de voordeur van de woning stond en dat een andere voor hem onbekende man op de scooter bleef zitten, althans vlakbij de scooter bleef staan. De man bij de scooter riep op enig moment naar de andere man: ‘Kom, kom, we gaan weg’. [9] Vervolgens rende de man die bij de voordeur stond terug naar de scooter en reden beide mannen gezamenlijk weg in de richting van de Papyrussingel. [10]
De getuigen [naam getuige 4], [naam getuige 5] en [naam getuige 6] bevonden zich op 1 november 2013, omstreeks 13:30 uur, nabij de plaats van het voorval en zij hoorden allen dat er (hard) werd geschreeuwd. [11] [12] [13]
Getuige [naam getuige 2], de ex-partner van medeverdachte, bevond zich op een vrijdag in de periode tussen 2 oktober 2013 en 5 november 2013 in de woning van de moeder van verdachte en medeverdachte. In de woning waren ook verdachte en medeverdachte aanwezig. Medeverdachte vertelde toen tegen [naam getuige 2] dat hij die dag ruzie had gehad met een man met een hond in Maastricht. Verder zei medeverdachte tegen [naam getuige 2] dat de man verdachte had geslagen met een stok waar je een balletje mee kon gooien. Vervolgens waren verdachte en medeverdachte op een scooter weggereden. [naam getuige 2] zag op de avond van het incident dat verdachte een blauw oog had. [14]
Getuige [naam getuige 1], de moeder van verdachte zijn broer [broer verdachte], de medeverdachte in deze zaak, heeft verklaard dat verdachte en medeverdachte op 1 november 2013 haar woning binnenkwamen en dat verdachte direct begon te vertellen over een man met een hond. Verdachte vertelde tegen [naam getuige 1] dat hij en medeverdachte met een scooter bij een hondenlosloopgebied in Maastricht reden en dat een man met een hond constant naar het kenteken van de scooter keek. Verdachte dacht dat deze man een politieman was. Hij ging vervolgens verhaal halen bij de man en kreeg van de man direct een klap. Daarna rende de man weg en liet hij zijn hond achter bij het hondenlosloopgebied. [naam getuige 1] nam waar dat het oog van verdachte gezwollen was en ietwat blauw van kleur. [15]
Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2
De rechtbank overweegt dat de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] ieder afzonderlijk een gedetailleerde, daderkennis bevattende verklaring hebben afgelegd. Deze verklaringen stemmen onderling overeen en stroken bovendien met de verklaring van aangever, bijvoorbeeld ten aanzien van de aanleiding van het incident alsmede ten aanzien van het letsel dat verdachte aan de slag met de plastic werpstok heeft overgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de aangifte derhalve in voldoende mate steun in de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2]. De rechtbank concludeert dat verdachte en medeverdachte de personen zijn, in de hoedanigheid van passagier respectievelijk bestuurder van de scooter, die aangever op 1 november 2013 hebben belaagd.
Specifieke bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling (primair tenlastegelegde) dan wel een openlijke geweldpleging (subsidiair tenlastegelegde) dan wel het medeplegen van een mishandeling (meer subsidiair tenlastegelegde).
De rechtbank is van oordeel dat de onder het primair tenlastegelegde genoemde geweldshandelingen in de gegeven omstandigheden noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van aangever kunnen opleveren. Dientengevolge zal de rechtbank verdachte van het primair tenlastegelegde vrijspreken.
Uit de inhoud van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte aangever heeft geduwd, hem met een bijtende/brandende vloeistof heeft bespoten en zwaaiende bewegingen met een ijzeren ketting in zijn richting heeft gemaakt. Voor een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde, het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen aangever, is echter evenzeer vereist dat medeverdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. De rechtbank is van oordeel dat aan deze voorwaarde is voldaan. Hoewel verdachte degene is geweest die fysieke kracht jegens aangever heeft aangewend, heeft medeverdachte een essentiële en onmisbare rol gespeeld bij de totstandkoming van de geweldshandelingen. Medeverdachte heeft namelijk als bestuurder de scooter gekeerd, is daarna in de richting van aangever gereden en heeft de snelheid van de scooter verminderd, opdat voor verdachte de gelegenheid bestond om van de scooter af te springen en aangever te attaqueren. Toen aangever op de kruising van de Pergamijndonk/Speciedonk dreigde te ontkomen, is medeverdachte op de scooter gestapt, heeft hij aangever met de scooter ingehaald en heeft hij de scooter, zo blijkt uit de verklaring van aangever en de verklaring van getuige [naam getuige 3], geparkeerd op het trottoir ter hoogte van de oprit van de woning van aangever. Door aldus te handelen heeft medeverdachte actief bijgedragen aan het insluiten van aangever op de oprit van zijn woning. Op de oprit kwam het vervolgens opnieuw tot een confrontatie tussen verdachte en aangever. Het vooroverwogene wettigt naar het oordeel van de rechtbank de gevolgtrekking dat medeverdachte een significante en wezenlijke bijdrage aan het door de verdachte gepleegde geweld heeft geleverd.
Op grond van de verklaring van [naam benadeelde partij 1] en de verklaringen van de getuigen [naam getuige 3], [naam getuige 2] en [naam getuige 1], in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam benadeelde partij 1].
De rechtbank acht, bij gebrek aan wettig bewijs, niet wettig en overtuigend bewezen dat het gepleegde geweld enig lichamelijk letsel voor aangever ten gevolge heeft gehad, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreekt.
Specifieke bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2
Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden - het gewelddadige optreden van verdachte - acht de rechtbank de verklaringen van deze getuigen dat deze gewelddadigheden gepaard gingen met dreigend geschreeuw voldoende steunbewijs voor de verklaring van aangever om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Op grond van de verklaring van [naam benadeelde partij 1] en de verklaringen van de getuigen [naam getuige 3], [naam getuige 2], [naam getuige 1], [naam getuige 4], [naam getuige 5] en [naam getuige 6], in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever met de dood heeft bedreigd.
Bespreking van de verweren van de raadsman
Hoewel uit de hiervoor weergegeven bespreking van het bewijs al blijkt dat de rechtbank de verweren van de raadsman verwerpt, zal zij hierna aangeven om welke redenen zij dat doet.
De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van de getuige [naam getuige 2] als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt en derhalve van het bewijs moeten worden uitgesloten. De rechtbank overweegt dat het feit dat de getuige [naam getuige 2], klaarblijkelijk in strijd met de waarheid, bij de rechter-commissaris heeft verklaard geen drugs te gebruiken en na het verbreken van de relatie met verdachte geen affectieve relatie meer te hebben gehad, nog niet maakt dat haar verklaringen ten aanzien van het tenlastegelegde als onbetrouwbaar dienen te worden bestempeld. De verklaring van getuige [naam getuige 2], afgelegd bij de politie, kan voor het bewijs worden gebezigd.
Bij deze stand van zaken kan de verklaring van getuige [naam getuige 1], hoewel de verdediging haar bij de rechter-commissaris niet heeft kunnen ondervragen, eveneens voor het bewijs worden gebruikt, nu de betrokkenheid van verdachte in voldoende mate steun vindt in de verklaring van getuige [naam getuige 2] en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen uit haar verklaring die door verdachte zijn betwist. Het door de raadsman gedane beroep op de uitspraak van het EHRM in de zaak van [V.] tegen Nederland slaagt derhalve niet.
Feit 3
Uit het dossier blijkt niet wie van de verdachten de ruit heeft ingegooid. Dit hoeft geen beletsel voor een bewezenverklaring te zijn, maar noodzakelijk is dan wel dat blijkt van een gezamenlijk opzet om de ruit in te gooien. De rechtbank heeft een dergelijke opzet voor wat betreft het onder 1 subsidiair tenlastegelegde aanwezig geacht omdat de bestuurder van de bromfiets [naam benadeelde partij 1] mede heeft ingesloten. Hieruit blijkt volgens de rechtbank dat er een gezamenlijk opzet bestond om [naam benadeelde partij 1] iets te willen aandoen. De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen of beide verdachten de ruit wilden ingooien. Medeplegen van vernieling kan derhalve niet worden bewezen. Nu bovendien op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld wie van de verdachten een steen door de ruit heeft gegooid, valt evenmin te bewijzen dat één van de verdachten zich alleen aan het plegen van dit strafbare feit heeft schuldig gemaakt. Bijgevolg spreekt de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
subsidiair
op 1 november 2013 in de gemeente Maastricht met een ander, op of aan de openbare weg, het Moletteplein en Pergamijndonk en Speciedonk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam benadeelde partij 1], welk geweld bestond uit het met kracht duwen van die [naam benadeelde partij 1] en uit het spuiten met een bijtende/brandende vloeistof, naar die [naam benadeelde partij 1] en uit het van korte afstand met een ketting zwaaiende en/of slaande bewegingen maken naar die [naam benadeelde partij 1];
2.
op 1 november 2013 in de gemeente Maastricht [naam benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam benadeelde partij 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Nou ga ik je kapot maken" en "Ik maak jou kapot" en/of "Ik sla jou kapot".
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1
De strafbaarheid
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
4.2
De kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
gepleegd in eendaadse samenloop met:
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6.De oplegging van straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in het kader van de strafmaat alleen erop gewezen dat als bewezenverklaring volgt, de feiten in eendaadse samenloop zijn gepleegd en dat daarom naar het verschil in strafbedreiging dient te worden gekeken.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft zich op 1 november 2013 te Maastricht schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen jegens [naam benadeelde partij 1] en het bedreigen van
[naam benadeelde partij 1]. [naam benadeelde partij 1], die in het dagelijks leven het beroep van politieman uitoefent, was op 1 november 2013 in zijn vrije tijd zijn hond aan het uitlaten, toen hij door verdachte en zijn broer werd ingesloten en op een uiterst agressieve manier fysiek belaagd, omdat zij dachten dat [naam benadeelde partij 1] het kenteken van hun scooter zou opnemen. Zelfs toen [naam benadeelde partij 1] naar zijn woning probeerde te ontkomen, zijn verdachte en de medeverdachte hem gevolgd en hebben ze hem daar opnieuw belaagd..
Verdachte en medeverdachte hebben door hun handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [naam benadeelde partij 1] en hem tevens, zo blijkt uit de door hem opgestelde schriftelijke slachtofferverklaring, ernstig geestelijk leed berokkend. [naam benadeelde partij 1] kampt met heftige gevoelens van angst en onbehagen. Ook heeft het voorval de ernstig zieke vrouw van [naam benadeelde partij 1] niet onberoerd gelaten. Daarnaast heeft het handelen van verdachte en medeverdachte, zeker nu verschillende getuigen het voorval hebben gadeslagen, bijgedragen aan algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dit alles rekent de rechtbank verdachte ernstig aan.
Bij de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) terzake van het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen, welk oriëntatiepunt, indien er geen sprake is van enig letsel bij het slachtoffer, een taakstraf voor de duur van 150 uren inhoudt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit oriëntatiepunt geen recht doet aan de omstandigheden in de onderhavige zaak.
Immer, de bewezenverklaarde feiten zijn begaan tegen een politieagent, die op dat moment niet in functie was, vanwege het feit dat hij politieagent was. De rechtbank wenst door de op te leggen straf tot uitdrukking te brengen dat zij het van bijzonder belang acht dat een overheidsfunctionaris in zijn vrije tijd niet bevreesd hoeft te zijn voor personen die hem vanwege zijn beroep menen te moeten belagen. Voorts betrekt de rechtbank in strafverzwarende zin dat verdachte bij de bewezenverklaarde feiten gebruik heeft gemaakt van wapens, te weten een busje met een bijtende/brandende vloeistof en een ijzeren ketting van ongeveer één meter. Het behoeft geen betoog dat [naam benadeelde partij 1] ernstig letsel had kunnen oplopen, indien verdachte [naam benadeelde partij 1] daadwerkelijk met de ijzeren ketting had geraakt. Ten slotte neemt de rechtbank in strafverzwarende zin in aanmerking dat verdachte blijkens zijn strafblad in de afgelopen vijf jaren reeds tweemaal eerder is veroordeeld tot (voorwaardelijke) gevangenisstraffen terzake van geweldsdelicten. Klaarblijkelijk hebben deze veroordelingen niet tot de gewenste gedragsverandering bij verdachte geleid.
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en voornoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met oplegging van een taakstraf, zodat zij zal overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf.
Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. Een gedeelte van deze straf, groot 2 maanden, zal de rechtbank in voorwaardelijke vorm opleggen. Hiermee wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Bovendien maakt het voorwaardelijk gedeelte van de straf een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk. De noodzaak van reclasseringsbegeleiding blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit de omstandigheid dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij verslaafd is (geweest) aan cocaïne, kampt met psychische problemen, geen onderdak heeft en niet beschikt over financiële middelen.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 63, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 3 tenlastegelegde feiten
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;
  • verklaart verdachte strafbaar;
Straffen
  • veroordeelt verdachte tot
  • bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van
  • stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte
  • zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
  • stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte
  • zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;
  • binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis contact opneemt met Reclassering Nederland (telefoonnummer [telefoonnummer]) en dat verdachte zich gedurende de proeftijd bij Reclassering Nederland blijft melden zo frequent en zolang Reclassering Nederland noodzakelijk acht;
  • geeft Reclassering Nederland opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;
  • heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.A. Crompvoets, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster, en
mr. M.E. Kramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Bouts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 september 2014.
Buiten staat
Mr. L.J.A. Crompvoets is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
parketnummer: 03/721820-13
proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 12 september 2014 in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren te [geboortegegevens verdachte],
zonder vaste woon- of verblijfplaats.
Tegenwoordig:
mr. , rechter,
mr. , officier van justitie,
dhr./mevr. , griffier.
De rechter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.
De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.
Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.
Raadsman mr. R.M.J. van den Boom, advocaat te Eindhoven.

Voetnoten

1.De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd pagina 1 t/m 465 d.d. 10 februari 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.
2.Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 84
3.Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 85/86
4.Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 86
5.Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 87/89
6.Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 88
7.Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 1] d.d. 2 november 2013, pagina 89
8.Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 3] d.d. 3 november 2013, p. 119
9.Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 3] d.d. 3 november 2013, p. 119/120
10.Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 3] d.d. 3 november 2013, p. 121
11.Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 4] d.d. 1 november 2013, p. 136
12.Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 5] d.d. 1 november 2013, p. 133
13.Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 6] d.d. 3 november 2013, p. 116
14.Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 2] d.d. 15 december 2013, p. 154/155
15.Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige 1] d.d. 24 december 2013