ECLI:NL:RBLIM:2014:7746

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 augustus 2014
Publicatiedatum
8 september 2014
Zaaknummer
03/194714/ HA RK 14-162
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 36 RvArt. 37 lid 1 RvArt. 37 lid 3 RvArt. 39 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wraking rechter in kort geding wegens gebrek aan gegronde vrees voor partijdigheid

In een kort gedingprocedure diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de zaak behandelde, omdat hij twijfels had over de onpartijdigheid van de rechter vanwege diens vragen en de betrokkenheid van de rechtbank Limburg.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de wettelijke criteria voor wraking, waarbij werd vastgesteld dat wraking alleen mogelijk is bij objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de individuele rechter. Het verzoek strekte zich mogelijk uit tot het gehele rechterlijk college, wat niet mogelijk is.

De rechter had een processuele beslissing genomen door het verzoek tot aanhouding van de zaak af te wijzen, wat geen grond voor wraking vormt. Verzoeker heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die een gegronde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen.

Verzoeker verscheen niet op de zitting voor de wrakingskamer, ondanks correcte oproeping. Daarom besloot de wrakingskamer ook dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker op dezelfde gronden niet in behandeling wordt genomen.

De wrakingskamer wees het verzoek tot wraking af en deed dit in een openbare zitting op 4 augustus 2014. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter wordt afgewezen en een volgend verzoek op dezelfde gronden wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Burgerlijk recht
Zaaknummer: 03/194714/ HA RK 14-162
Datum uitspraak: 4 augustus 2014

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

in de zaak van

[verzoeker], (hierna: verzoeker), wonende te [woonplaats],

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:
mr. P.H.J. Frénay, rechter in deze rechtbank, (hierna: de rechter).

Het verloop van de procedure

Tijdens de behandeling van het kort geding op 30 juli 2014 in de zaak met nummer C/03/192582 / KG ZA 14-334 tussen verzoeker en [naam] betreffende een door laatstgenoemde verlangde vervangende toestemming is door verzoeker een verzoek tot wraking ingediend tegen de rechter belast met de behandeling van de zaak.
De rechter heeft de wrakingskamer op 31 juli 2014 medegedeeld dat hij niet in het verzoek tot wraking berust en dat hij niet schriftelijk zal reageren. Indien verzoeker echter zijn verzoek tot wraking nader schriftelijk zou onderbouwen, wenste de rechter daarvan kennis te menen en behield hij zich het recht voor daarop nog schriftelijk te reageren.
De behandeling van het verzoek heeft - met gesloten deuren - plaatsgevonden op 4 augustus 2014, waar verzoeker - hoewel naar behoren opgeroepen - zonder bericht niet is verschenen, terwijl de rechter wel naar de zitting is gekomen. Voorts hebben [naam] en haar gemachtigde de zitting als belanghebbend toehoorder bijgewoond.
De rechter heeft ter zitting aan de hand van geschreven aantekeningen zijn standpunt ten opzichte van de verzochte wraking toegelicht.
De wrakingskamer heeft na een schorsing mondeling uitspraak gedaan onder de toezegging dat de uitspraak uiterlijk 6 augustus 2014 naar partijen verstuurd zal worden.

De beoordeling

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het haar - onder meer ingevolge art. 6 lid 1 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - toekomende recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen.
Art. 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Art. 37 lid 1 Rv Pro bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen.
Van feiten of omstandigheden als bedoeld in art. 36 Rv Pro kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling en overtuiging van de rechter (partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij enige vooringenomenheid koestert, althans dat de - objectief gerechtvaardigde - vrees bestaat dat de rechter niet onpartijdig is.
Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van partijdigheid en de overtuiging van verzoeker weliswaar relevant, maar doorslaggevend is of de twijfel aan de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 30 juli 2014 blijkt dat verzoeker aan het begin van de zitting in het gesprek over de beschikbaarheid van de stukken opmerkte dat hij een formeel punt naar voren wilde brengen. Hij zette vervolgens uiteen dat hij, gelet op zijn functie en - daaruit voortvloeiend - zijn relatie met de rechtbank, het wenselijk achtte dat de zaak aangehouden zou worden voor het doen ‘invliegen’ van een rechter van buiten om de zaak te behandelen. Hij voegde daar nog aan toe dat hij de rechter hoog achtte maar dat hij ‘deze rechtbank’ (‘de rechtbank Maastricht’) niet wilde. Pas als dit geregeld zou zijn, wilde hij zijn volgende punt aankaarten.
Vervolgens stelde de rechter na een korte schorsing vast dat verzoeker aangevoerd had dat de rechtbank Limburg de zaak wel zou mogen behandelen maar niet de vaste rechters van de rechtbank Limburg. Voorts besliste hij dat hij, nu verzoeker het vertrouwen in hem uitgesproken had en al het overige in acht nemend, geen reden zag om de zaak op dat moment niet zelf te behandelen. De rechter besloot daarop verder te gaan met de behandeling.
Op dat moment wraakte verzoeker de rechter. In zijn uit het proces-verbaal blijkende motivering stelde verzoeker dat de rechter door zijn herhaalde vraag: “Waarom heeft u dit niet eerder kenbaar gemaakt?” ertoe zou ‘neigen om naar het partijbelang en naar de inhoud te gaan’. Daarmee, zo stelde verzoeker, is de rechter niet onpartijdig.
De wrakingskamer merkt allereerst op dat, waar verzoeker met zijn opmerking betreffende het gehele college van de rechtbank Limburg of ‘de rechtbank Maastricht’ er mogelijk het oog op heeft het verzoek tot wraking zich te doen uitstrekken tot het gehele rechterlijke college van de rechtbank Limburg, dit - gelet op het bepaalde in art. 36 Rv Pro - niet mogelijk is. Een verzoek tot wraking moet gericht zijn tegen de individuele rechter die de zaak (mede) behandelt.
De wrakingskamer stelt vast dat de rechter door een besluit te nemen betreffende het al dan niet aanhouden van de zaak een processuele beslissing heeft genomen. De wet geeft de rechter de bevoegdheid hiertoe, zodat hierin geen (toereikende) grond voor wraking gelegen kan zijn. Nu er verder in de zitting niets meer aan de orde is geweest en verzoeker ook overigens geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die grond zouden kunnen vormen voor de gerechtvaardigde vrees dat de rechter in de thans aanhangige zaak van verzoeker tegen zijn wederpartij niet onpartijdig zal zijn, is er voor de wrakingskamer geen enkele reden om te twijfelen aan de onpartijdigheid van de rechter. De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.
Art. 39 lid 4 Rv Pro geeft de wrakingskamer de bevoegdheid om in geval van misbruik van het middel van wraking te bepalen dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling wordt genomen. De wrakingskamer overweegt dat verzoeker er - uitgaand van het spoedeisende karakter van een kort geding - op bedacht had moeten zijn dat terstond na 30 juli 2014 een datum voor behandeling van het wrakingsverzoek bepaald zou worden, mede in aanmerking nemend dat een verzoek tot wraking schorsende werking heeft. Verzoeker is echter zonder bericht bij de behandeling van zijn verzoek op 4 augustus 2014 niet verschenen, terwijl hij zowel via de gewone post als via een aangetekende brief is opgeroepen voor de zitting. Voor de wrakingskamer is dit reden om te bepalen dat een eventueel volgend verzoek tot wraking van mr. Frénay in de genoemde procedure dat berust op dezelfde gronden, niet in behandeling wordt genomen.

De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking van mr Frénay af;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van mr. Frénay in de procedure C/03/192582/ KG ZA 14-334 als dit berust op dezelfde gronden, niet in behandeling wordt genomen.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.P.F. van Dooren, voorzitter, mr. H.W.M.A Staal en mr. J.C. Sluymer, leden, in aanwezigheid van M.J.W.D. Janssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2014.
Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.