Op 3 april 2011 vond in de gemeente Weert een geweldsincident plaats waarbij meerdere slachtoffers werden toegetakeld, onder wie personen die op de grond lagen en tegen wie met kracht werd geschopt en geslagen. Verdachte werd ervan beschuldigd dit geweld mede te hebben gepleegd, met het oogmerk om slachtoffers te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Tijdens de terechtzitting op 1 augustus 2014 stelde de officier van justitie dat verdachte op camerabeelden was herkend als een van de daders. De raadsman voerde aan dat deze herkenning onvoldoende bewijs vormde, omdat de verbalisant niet kon aangeven waarop de herkenning was gebaseerd en de beelden onduidelijk waren.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de ambtsedige verklaring van de verbalisant wettig bewijs oplevert, dit bewijs niet overtuigend genoeg is om verdachte te veroordelen. Gezien de onduidelijke camerabeelden en het ontbreken van toetsbare informatie over de herkenning, kon de betrokkenheid van verdachte niet wettig en overtuigend worden bewezen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte integraal vrij van alle tenlastegelegde feiten. De vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding werden afgewezen wegens de vrijspraak, en de rechtbank bepaalde dat deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden ingediend.