De veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden, waarvan hij vanaf 21 oktober 2014 in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. De officier van justitie vordert het geheel achterwege laten van deze voorwaardelijke invrijheidstelling omdat de veroordeelde zich op 23 december 2013 tijdens een plaatsing in een instelling aan zijn straf heeft onttrokken door te ontvluchten.
De rechtbank overweegt dat de vordering rechtsgeldig is betekend en tijdig is ingediend. Ondanks het ontbreken van de veroordeelde bij de zitting en het verzoek van zijn raadsman om schorsing, oordeelt de rechtbank dat de vordering buiten aanwezigheid van de veroordeelde kan worden behandeld. Dit omdat de veroordeelde zich aan zijn detentie heeft onttrokken en de wetgever niet heeft voorzien in een procedure bij afwezigheid.
De rechtbank stelt vast dat de ontvluchting een geldige grond is om de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel achterwege te laten. De beslissing wordt genomen conform de artikelen 15d, 15e en 15f van het Wetboek van Strafrecht. De veroordeelde zal in vrijheid worden gesteld op het tijdstip waarop de opgelegde vrijheidsstraffen zijn geëxpireerd, zonder toepassing van voorwaardelijke invrijheidstelling.