Op 21 maart 2010 vond in Neer een incident plaats waarbij openlijk geweld werd gepleegd tegen meerdere personen en goederen. Verdachte werd ervan beschuldigd hierbij betrokken te zijn geweest. De zaak werd pas ruim vier jaar later aan de rechtbank voorgelegd, waarbij de redelijke termijn fors werd overschreden.
De verdediging voerde een niet-ontvankelijkheidsverweer aan wegens deze overschrijding en het geringe karakter van het verwijt. De rechtbank oordeelde echter dat ondanks de ernstige overschrijding, geen niet-ontvankelijkheid kon worden uitgesproken, mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad. De vertraging was organisatorisch en niet bewust door het Openbaar Ministerie veroorzaakt.
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling concludeerde de rechtbank dat onvoldoende bewijs bestond dat verdachte daadwerkelijk heeft deelgenomen aan het geweld. Ook kon niet worden bewezen dat het geweld op de openbare weg had plaatsgevonden, maar binnen het etablissement zelf. Daarom werd verdachte vrijgesproken.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak. De rechtbank wees ook de kostenveroordeling af.