Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
[vrouw],
Rechtbank Limburg
De ouders van een vrouw die sinds november 2009 in een vegetatieve toestand verkeert, verzochten de rechtbank om de echtscheiding tussen hun dochter en haar man uit te spreken. Zij stelden dat het huwelijk duurzaam ontwricht was en voerden aan dat zij als mentoren van de vrouw op grond van artikel 1:453 BW Pro over niet-vermogensrechtelijke belangen, waaronder een echtscheiding, moeten waken. De man betwistte het verzoek en stelde dat de ouders niet ontvankelijk zijn omdat zij de vrouw niet kunnen vertegenwoordigen in een echtscheidingsprocedure.
De rechtbank overwoog dat de wettelijke taak van de mentor zich beperkt tot verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding en dat een echtscheiding niet onder deze vertegenwoordiging valt. Daarnaast is volgens artikel 1:151 BW Pro een verzoeker die vanwege een geestelijke stoornis niet in staat is zijn wil te bepalen en de betekenis van het verzoek te begrijpen niet ontvankelijk. De vrouw verkeert in een vegetatieve toestand en kan haar wil niet bepalen, waardoor zij niet vertegenwoordigd kan worden in deze procedure.
Daarom verklaarde de rechtbank de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot echtscheiding. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: De ouders van de vrouw worden niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot echtscheiding omdat zij de vrouw niet kunnen vertegenwoordigen.