ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ0690
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Machtiging tot beneficiaire aanvaarding nalatenschap om gelijke verdeling te waarborgen
De rechtbank Limburg behandelde een verzoek van de erfgenamen van een overleden vrouw om alsnog de nalatenschap van hun moeder beneficiair te mogen aanvaarden, nadat zij deze eerder zuiver hadden aanvaard. De erfgenamen waren op de hoogte van de uiterste wil van hun moeder, maar hielden geen rekening met de nalatenschap van de overleden echtgenoot, waardoor zij met eigen vermogen het erfdeel van diens kinderen moesten aanvullen.
De kantonrechter oordeelde dat het begrip 'uiterste wil' in artikel 4:194 BW Pro moet worden gelezen als de wil van de erflater zelf, en niet die van een vooroverleden echtgenoot. Omdat de erfgenamen op de hoogte waren van de uiterste wil van hun moeder, kon het verzoek op deze grond niet worden toegewezen.
Echter, door het overlijden van beide echtgenoten was een onverdeelde gemeenschap ontstaan waarop artikel 3:166 BW Pro en artikel 6:2 BW Pro van toepassing zijn. Op grond van redelijkheid en billijkheid achtte de rechtbank het redelijk en billijk om de erfgenamen alsnog te machtigen de nalatenschap beneficiair te aanvaarden, zodat een gelijke verdeling tussen de kinderen van beide echtgenoten mogelijk wordt gemaakt, conform hun gezamenlijke wens.
De kantonrechter verleende daarom de gevraagde machtiging, met de kanttekening dat de nalatenschap pas beneficiair is aanvaard na een verklaring ter griffie van de rechtbank van de laatste woonplaats van de erflater.
Uitkomst: De erfgenamen worden gemachtigd om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden.