Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde in conventie, eiser in reconventie 1], wonende te [adres 1];
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie 2],wonende te [adres 2];
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie], wonende te [adres 1];
Rechtbank Limburg
In deze civiele zaak stond een geschil centraal tussen de gemeente Kerkrade als verpachter en een pachter over het gebruik en de status van diverse percelen landbouwgrond. Medio 1990 ontstond onenigheid over het gebruik van grond zonder recht of titel. In 1993 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarna verschillende pachtcontracten werden afgesloten, zowel eenjarige als voor zes jaar. Na afloop van deze contracten bleef de pachter de grond gebruiken.
De gemeente vorderde dat de pachtkamer zou verklaren dat alle pachtcontracten waren geëindigd en dat de pachter de grond moest ontruimen. De pachter stelde dat de contracten stilzwijgend waren verlengd of omgezet in reguliere pacht en dat de gemeente de betaalde pachtprijzen steeds had behouden. De pachtkamer oordeelde dat voor een aantal percelen sprake was van reguliere pacht, mede omdat de gemeente niet had gereageerd en de pachtsommen had behouden.
Voor andere percelen oordeelde de pachtkamer dat onvoldoende was gesteld dat er sprake was van compensatiegronden en wees de gevorderde ontruiming toe met een dwangsom. Tevens werd voor een groot deel van de percelen de schriftelijke vastlegging van de pachtovereenkomst toegewezen. De pachtkamer compenseerde de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De pachtkamer oordeelt dat een deel van de pachtcontracten is geëindigd en beveelt ontruiming, terwijl voor andere percelen reguliere pacht wordt vastgesteld en schriftelijke vastlegging wordt toegewezen.