De rechtbank Limburg behandelde op 19 augustus 2013 de vordering van de officier van justitie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, die een gevangenisstraf van drie jaar en acht weken uitzit. De officier van justitie baseerde zijn vordering op een reclasseringsadvies en verklaringen van betrokken functionarissen, waarin werd gesteld dat het recidiverisico onvoldoende kan worden beperkt zolang de veroordeelde geen huisvesting heeft.
De verdediging voerde aan dat plaatsing bij maatschappelijke opvang in Roermond (Moveo) het recidiverisico zou verminderen, zeker gezien de afwezigheid van de gedetineerde partner van de veroordeelde. De rechtbank constateerde echter dat gezamenlijke huisvesting moeilijk realiseerbaar is en dat de partner mogelijk niet in aanmerking komt voor crisisopvang vanwege psychische problematiek. De veroordeelde gaf aan ook zonder partner gehuisvest te willen worden, waarna een intake bij Moveo mogelijk snel geregeld kon worden.
De rechtbank oordeelde dat eerst de huisvesting geregeld moet zijn alvorens voorwaarden kunnen worden gesteld om het recidiverisico effectief te beperken. Daarom werd het verzoek tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor 120 dagen toegewezen, met als nieuwe datum van invrijheidstelling 11 december 2013. Een verzoek tot aanhouding van de zaak werd afgewezen omdat de officier van justitie aangaf niet te zullen wachten met invrijheidstelling als de huisvesting eerder geregeld zou zijn.