Eiseres vroeg een bouwvergunning aan voor het verplaatsen van een woonwagen waarin een kledingzaak is gevestigd. Verweerder weigerde de vergunning op grond van de Wet Bibob vanwege een ernstig gevaar dat de vergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, mede vanwege een zakelijk samenwerkingsverband met een verdachte in een internationaal strafrechtelijk onderzoek.
De rechtbank stelt vast dat voor de exploitatie van de kledingzaak geen vergunning nodig is en dat de activiteiten van het verplaatsen van de woonwagen en het exploiteren van de kledingzaak niet in elkaars verlengde liggen. Hierdoor is niet voldaan aan het samenhangvereiste van de Wet Bibob.
Verder is vastgesteld dat de strafbare feiten voornamelijk zijn gepleegd bij de exploitatie van een autohandel en dat de bouwvergunning reeds geruime tijd is gerealiseerd zonder dat strafbare feiten hebben plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelt dat de adviezen van het Landelijk Bureau Bibob onvoldoende aanleiding bieden om te veronderstellen dat de bouwvergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.