Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.Het onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
- het beginsel dat het oogmerk van handelen zuiver moet zijn;
- het beginsel dat een bevoegdheid niet mag worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven en
- het beginsel dat alle betrokken belangen in redelijkheid tegen elkaar moeten worden afgewogen,
door het lint” is gegaan. De verdachte heeft deze daad niet eerst gepland. Er is volgens de raadsman slechts zeer korte tijd verlopen tussen verdachtes besluit het slachtoffer van het leven te beroven en de uitvoering daarvan. Er is voor de verdachte geen gelegenheid geweest om na te denken over de implicaties van zijn handelen. Gelet op het voorgaande concludeert de raadsman tot vrijspraak voor moord.
ander’ kunnen zijn aan wiens eigendommen via artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht wordt beoogd bescherming te bieden.
zwart voor ogen werd”. Hij wilde dat [slachtoffer] ophield met hem te beledigen. In een opwelling heeft hij een broodmes van de ontbijttafel gegrist en [slachtoffer] hiermee twee à driemaal in de borst gestoken. Van méér steken kan de verdachte zich niets herinneren. De verdachte heeft verklaard dat, behalve mevrouw [slachtoffer] en hij, niemand in huis aanwezig was ten tijde dat de fatale messteken zijn toegebracht.
- in totaal acht streepvormige scherprandige huidperforaties – steekletsel in de borst en hals, een steekletsel in de tong en een kleine perforatie aan de rug; enkele huidklievingen met een stomp en een puntig uiteinde; met deels uitgebreide en een enkele keer geringere omgevende bloeduitstortingen, waarvan twee steekletsels tot in de diepe delen van het lichaam;
- een insteek in de tong, doorsteek van de halswervelkolom naar letsel op de rug.
- geringe tekenen van inademing van bloed;
- aan beide handen oppervlakkige krasvormige huidbeschadigingen met omgevende onderhuidse bloeduitstorting;
- links en rechts zijwaarts op het hoofd en links op het achterhoofd onderhuidse bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen met indroging;
- een beperkte bloedfilm onder het harde hersenvlies links en rechts.
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 juni 2013;
- de aangifte van [benadeelde 1]
nummer 03/706003-13ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat
nummer 03/866165-13ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De oplegging van straf
- [verdachte] is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten;
- [verdachte] is volgens de onderzoekend psycholoog licht verminderd toerekeningsvatbaar;
- het recidiverisico wordt laag ingeschat;
- [verdachte] is bereid psychologische en psychosociale hulp te aanvaarden.
8.De benadeelde partij
nummer 03/866165-13ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat het verweer dat de benadeelde in zoverre niet‑ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering moet worden verworpen. Het verweer dat de benadeelde geen schade lijdt, moet eveneens worden verworpen. De rechtbank verwijst in dat verband naar de verklaring van [benadeelde 1] van 17 juni 2013 tegenover de officier van justitie mr. J.J. Schreurs. Zij verklaart dat de nabestaanden van de zijde van ING-Bank niet hebben vernomen dat het negatieve saldo op de rekeningcourant niet behoeft te worden aangezuiverd. De stelling dat de ING-Bank (een gedeelte van) de schade voor haar rekening zal nemen door afstand te doen van een recht op aanzuivering van het negatieve saldo op de betreffende rekening is door de raadsman niet nader geadstrueerd. Aldus is dat feit niet komen vast te staan, zodat ook het verweer dat de benadeelde geen schade heeft van de hand moet worden gewezen. Tot slot het verweer dat de benadeelde de door de pintransacties veroorzaakte vermogensschade had kunnen voorkomen door af te zien van de zuivere aanvaarding van de nalatenschap van [slachtoffer]. De stelling van de raadsman, dat door beneficiaire aanvaarding aansprakelijkheid voor de schulden in de nalatenschap van [slachtoffer] had kunnen worden voorkomen is op zichzelf juist. Echter, of van de erfgenamen kan worden gevergd dat zij een keuze maken voor deze wijze van aanvaarding van de nalatenschap hangt naar het oordeel van de rechtbank af van meer feitelijkheden dan het saldo in rekeningcourant met ING-Bank op het moment van overlijden. Om ten aanzien daarvan een oordeel te kunnen geven moet inzicht bestaan in het totaal van het vermogen in deze nalatenschap. Een dergelijk inzicht ontbreekt, zodat de keuze van de erfgenamen voor een zuivere aanvaarding niet kan worden beoordeeld. Ook dit verweer dient daarom te worden verworpen. Nu overigens de vordering in zoverre niet is betwist, zal de rechtbank deze toewijzen.
9.Het beslag
10.De wettelijke voorschriften
11.De beslissingen
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert, zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf;
- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde [benadeelde 1], [adresgegevens], te betalen een bedrag van € 21.904,66;
- wijst af de vordering van de benadeelde [benadeelde 1] inzake de post bloemstuk (€ 58,41);
- wijst gedeeltelijk af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] inzake de post grafsteen, namelijk voor zover meer wordt gevorderd dan € 6.000;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 1] in