Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de meervoudige kamer die zijn strafzaak behandelt, vanwege vermeende schending van zijn aanwezigheidsrecht en het recht op hoor en wederhoor tijdens een zitting op 27 september 2013. Tevens werd de voorzitter van de kamer verweten partijdig te zijn door een uitlating die de geloofwaardigheid van de raadsman ondermijnde.
De wrakingskamer onderzocht de omstandigheden, waaronder de planning van zittingen op dezelfde dag op verschillende locaties, en concludeerde dat het niet honoreren van het aanhoudingsverzoek een procesbeslissing was die geen grond voor wraking oplevert. Er was geen aanwijzing voor vooringenomenheid van de meervoudige kamer als geheel.
Wel oordeelde de wrakingskamer dat de uitlating van de voorzitter "Dat lijkt mij sterk" jegens de raadsman de indruk wekt dat deze niet geloofwaardig werd geacht, wat een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid oplevert. Daarom werd het wrakingsverzoek tegen de voorzitter toegewezen.
De wrakingskamer wees het wrakingsverzoek tegen de meervoudige kamer af en wees het wrakingsverzoek tegen de voorzitter toe. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.