ECLI:NL:RBLIM:2013:11302

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 mei 2013
Publicatiedatum
12 december 2013
Zaaknummer
04 361268
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs overeenkomst tot opdracht bemiddeling

In deze civiele zaak vordert Coulant Interim B.V. betaling van kosten voor bemiddeling bij het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst tussen gedaagde en een kandidaat. Eiseres stelt dat gedaagde op 9 februari 2012 een opdracht heeft verstrekt om een geschikte kandidaat te vinden, waarbij zij zich beroept op eerdere afspraken uit 2009.

Gedaagde betwist dat er op genoemde datum een opdracht is verstrekt en stelt dat de kandidaten door eiseres geheel vrijblijvend zijn aangedragen, waarna gedaagde zelf de sollicitatieprocedure heeft gevolgd. De kantonrechter oordeelt dat de stellingen van eiseres onvoldoende aanknopingspunten bieden om te concluderen dat er een overeenkomst tot opdracht is gesloten.

De eerdere incidentele opdracht uit 2009 maakt dit niet anders. De vordering wordt daarom afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. De kosten worden begroot op €400,-.

Uitkomst: De vordering tot betaling wegens bemiddeling wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van opdracht.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Burgerlijk recht
Zaaknummer: 361268 \ CV EXPL 12-6649
Vonnis van de kantonrechter d.d. 8 mei 2013
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Coulant Interim B.V., gevestigd te Weert,
eiseres,
gemachtigde: mr. R. van Viersen,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] Belastingadvies en Rechtsbijstand B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] aan het adres [vestigingsadres] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. [X] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Dit blijkt uit het navolgende:
  • de inleidende dagvaarding met producties;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • het tussenvonnis van 29 januari 2013;
  • de op 28 maart 2013 gehouden comparitie van partijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan: In 2009 hebben partijen contact gehad en heeft eiseres diensten voor gedaagde verricht. De verdere afhandeling van de destijds verrichte diensten staat niet ter discussie tussen partijen en maakt ook geen onderdeel uit van dit geschil. In april 2012 heeft gedaagde met mevrouw [A] een arbeidsovereenkomst gesloten voor bepaalde tijd. Deze arbeidsovereenkomst is na ommekomst van de overeengekomen periode niet voortgezet.

3.Het geschil

3.1.
Eiseres heeft op gronden als omschreven in de dagvaarding gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagde tot betaling aan eiseres van de bedragen en rente als in de dagvaarding vermeld, kosten rechtens.
Gedaagde heeft verweer gevoerd.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst met mevrouw [A] door bemiddeling van eiseres tot stand is gekomen. Gedaagde is naar de mening van eiseres voor deze bemiddeling primair de kosten, conform de in 2009 tussen partijen overeengekomen voorwaarden, verschuldigd. Subsidiair is gedaagde een redelijk loon verschuldigd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat gedaagde in de persoon van de heer [X] tijdens het gesprek op 9 februari 2012 op het kantoor van gedaagde aan de medewerkster van eiseres, mevrouw [B] , de opdracht heeft verstrekt om een geschikte kandidaat te vinden voor de op dat moment bij gedaagde openstaande vacature.
4.2.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van het verstrekken van een opdracht aan eiseres op 9 februari 2012. In tegenstelling tot hetgeen eiseres beweert stelt gedaagde dat op 9 februari 2012 helemaal niet is gesproken over het werven van kandidaten voor de vacature die gedaagde op de vacaturesite van het UWV had geplaatst. Volgens [X] heeft na afloop van het gesprek mevrouw [B] gevraagd of zij eens rond mocht kijken en nog geen twee uur later kwam er bij gedaagde een e-mail bericht binnen met de namen van twee kandidaten voor de vacature van gedaagde. Gedaagde stelt dat zij deze kandidaten heeft meegenomen in de lopende sollicitatieprocedure en dat een en ander erin heeft geresulteerd dat mevrouw [A] , een van de twee personen die eiseres, naar de mening van gedaagde geheel vrijblijvend, had aangedragen, is aangenomen.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat de door eiseres geponeerde stellingen, welke van de zijde van gedaagde uitdrukkelijk worden weersproken, onvoldoende aanknopingspunten geven om te concluderen dat er mogelijk tussen partijen op 9 februari 2012 een overeenkomst van opdracht is gesloten. Dat er drie jaar eerder een incidentele opdracht door gedaagde aan eiseres is verstrekt maakt dit niet anders. De kantonrechter acht de vordering van eiseres volstrekt onvoldoende onderbouwd en zal daarom aan het bewijsaanbod van eiseres voorbij gaan.
4.4.
Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de vordering, zowel primair als subsidiair, dient te worden afgewezen en dat eiseres, als de in het ongelijk gestelde partij, dient te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van gedaagde worden begroot op € 400,00 aan gemachtigde salaris.

5.De beslissing

5.1.
Wijst de vorderingen van eiseres af.
5.2.
Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan dit vonnis begroot op € 400,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.F. van Dooren, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 8 mei 2013 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
typ: HMUI
mlzr: em