ECLI:NL:RBLEE:2010:BO7669

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
17/880357-10 VON
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken opzet bij gooien stormram naar politieagent

Op 14 juni 2010 gooide verdachte vanaf een balkon een stormram, een metalen buis van circa 15 kilogram, richting een politieagent die zich onder het balkon bevond. Verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling en subsidiair bedreiging van de agent.

De rechtbank oordeelde dat niet vaststaat dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de agent door de stormram zou worden geraakt en daardoor zou overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De agent had voldoende tijd om opzij te springen, wat hij ook deed. Daarnaast was niet bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op deze gevolgen heeft aanvaard; verdachte verklaarde de stormram niet op de agent te hebben gericht.

De verdediging voerde aan dat het gooien een paniekreactie was zonder intentie om de agent te raken of te bedreigen. De rechtbank achtte deze verklaring aannemelijk en verwierp het bewijs van opzet. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf werd afgewezen omdat verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De rechtbank verklaarde de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk en sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Het vonnis werd uitgesproken op 16 december 2010 door de meervoudige kamer van de rechtbank Leeuwarden.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van opzet en bewustheid van de aanmerkelijke kans op overlijden of zwaar letsel van de politieagent.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector straf
parketnummer 17/880357-10
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 17/880186-07
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 december 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],
wonende te [adres].
De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 2 december 2010.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te Den Haag.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 juni 2010 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente
Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk [slachtoffer] (surveillant van politie) van het leven te
beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet vanaf
het balkon waarop, hij, verdachte, zich bevond een (storm)ram (te weten een
metalen buis van ca. 15 kilogram) richting (het hoofd van) die [slachtoffer]
heeft gegooid (terwijl die [slachtoffer] zich onder voornoemd balkon bevond),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en
strafoplegging aan verdachte
hij op of omstreeks 14 juni 2010 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente
Leeuwarden, [slachtoffer] (surveillant van politie) heeft bedreigd met
enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers
heeft verdachte opzettelijk dreigend vanaf het balkon waarop, hij, verdachte,
zich bevond een (storm)ram (te weten een metalen buis van ca. 15 kilogram)
richting (het hoofd van) die [slachtoffer] gegooid (terwijl die [slachtoffer]
zich onder voornoemd balkon bevond).
In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:
- veroordeling voor het primair ten laste gelegde;
- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van het
voorarrest;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van
€ 150,00, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag
van € 150,00;
- tenuitvoerlegging van de op 24 september 2007 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf
voor de duur van een jaar.
Vrijspraak
De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de agent zou overlijden aan verwondingen veroorzaakt door het gooien van de stormram van het balkon in de richting van de agent.
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet de intentie heeft gehad om de stormram in de richting van de agent te gooien. Verdachte heeft de ram verder gegooid dan de verbalisanten verklaren, en de ram is voorbij de agent terecht gekomen. Uit het proces-verbaal van de reconstructie blijkt dat dit kan. Verdachte heeft de agent niet willen raken. Hij heeft de ram gegooid in een paniekreactie. Verdachte had ook niet de bedoeling om de agent te bedreigen. De raadsman verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het primair tenlastegelegde het volgende. Aan verdachte is tenlastegelegd poging tot doodslag dan wel zware mishandeling. Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring hiervan dient te worden vastgesteld dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer dan wel op zwaar lichamelijk letsel bij deze. Voor opzet is tenminste vereist dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn gedragingen zou overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.
Allereerst overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel niet vast staat dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Verdachte heeft een stormram van een balkon gegooid, terwijl onder dat balkon een politieagent stond. Deze agent heeft verklaard dat hij zag dat verdachte de stormram pakte en naar beneden gooide. Het is een feit van algemene bekendheid dat tussen het moment van gooien van een zwaar voorwerp en het moment dat dit voorwerp de grond raakt, enige tijd verstrijkt. Zeker nu de agent zag dat verdachte de stormram pakte en naar beneden gooide, was er naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd voor de agent om opzij te springen, hetgeen hij ook heeft gedaan. Onder deze omstandigheden kan dan ook niet gesproken worden van een situatie waarin een aanmerkelijke kans bestond dat de agent door de stormram geraakt zou worden en dientengevolge zou overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.
Voorts overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel evenmin vaststaat dat er bij verdachte sprake was van de voor voorwaardelijk opzet vereiste bewustheid. Hierbij moet voorop worden gesteld dat het van het balkon gooien van de stormram geen handeling is die naar de uiterlijke verschijningsvorm is gericht op het veroorzaken van de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft verklaard dat hij de stormram niet in de richting van de agent wilde gooien en deze ook zeker niet wilde raken. Deze verklaring wordt niet weerlegd door andere bewijsmiddelen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verklaring van verdachte juist is en hij dus niet bewust de kans heeft aanvaard dat de agent geraakt zou worden door de stormram met alle gevolgen van dien.
Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde bedreiging overweegt de rechtbank het volgende. Zoals hiervoor reeds is overwogen, was er onder de gegeven omstandigheden geen sprake van een aanmerkelijke kans op de dood van de agent dan wel zwaar lichamelijk letsel. Dit brengt tevens met zich mee dat er ook geen sprake kan zijn van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling. Immers, nu door de gedraging van verdachte niet een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel in het leven is geroepen, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden gesproken van een gedraging waardoor bij de agent de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou laten of zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Verdachte dient derhalve eveneens van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.
De rechtbank verklaart de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk nu zij verdachte vrijspreekt van het aan hem ten laste gelegde feit.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk geworden vonnis van 24 september 2007, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 9 oktober 2007 en loopt nog tot 3 oktober 2010. Bij vordering d.d. 1 december 2010 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.
De rechtbank wijst de vordering ten uitvoerlegging af nu zij verdachte vrijspreekt van het aan hem ten laste gelegde feit.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op het artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel gold ten tijde van het bewezenverklaarde.
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk is in de vordering.
Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
17/880186-07:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Leeuwarden d.d. 24 september 2007.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. Y. Huizing, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2010.