ECLI:NL:RBLEE:2010:BN9809
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidskorting en heffingsrente bij aanslag inkomstenbelasting 2006
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2006 en de daarbij opgelegde heffingsrente. De kern van het geschil betrof de vraag of eiser recht had op de arbeidskorting, aangezien hij in 2006 geen arbeid heeft verricht, en of de heffingsrente terecht en correct was vastgesteld.
De rechtbank stelde vast dat eiser in 2006 geen arbeid heeft verricht, waardoor hij niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de arbeidskorting zoals neergelegd in artikel 8.11 Wet inkomstenbelasting 2001. De jurisprudentie bevestigt dat inkomsten uit de Tijdelijke Ouderen Regeling (TOR) moeten worden aangemerkt als inkomsten uit vroegere arbeid, waarop de arbeidskorting niet van toepassing is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eiser geen concrete handelingen aannemelijk maakte die door onjuiste voorlichting waren veroorzaakt.
Ten aanzien van de heffingsrente oordeelde de rechtbank dat de Belastingdienst onzorgvuldig heeft gehandeld door de definitieve aanslag pas na een lange periode van veertien maanden na de bekendheid van alle relevante elementen op te leggen. Dit leidde tot een gedeeltelijke vermindering van de heffingsrente, waarbij de rente alleen berekend wordt over de periode van 1 januari 2007 tot 7 november 2008.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de aanslag ongegrond, het beroep tegen de beschikking heffingsrente gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen de heffingsrente gegrond en de heffingsrente gedeeltelijk verminderd.