ECLI:NL:RBLEE:2010:BN0896
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering navorderingsaanslag wegens waardering vordering op frauderende beleggingsadviseur
Eiser had in 2004 geldleningen verstrekt aan een beleggingsadviseur die hoge rendementen garandeerde, maar in werkelijkheid de gelden niet belegde en gebruikte om eerdere inleggers uit te betalen. Na een strafrechtelijk onderzoek werd deze adviseur failliet verklaard en veroordeeld voor fraude.
Verweerder legde aan eiser een navorderingsaanslag IB/PVV 2004 op, waarbij de vordering op de adviseur werd gewaardeerd op nominale waarde. Eiser stelde dat sprake was van een nieuw feit en dat de waarde van de vordering per 31 december 2004 nihil dan wel maximaal € 10.000 bedroeg.
De rechtbank oordeelde dat verweerder geen ambtelijk verzuim had gepleegd bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslag, omdat hij redelijkerwijs mocht vertrouwen op de aangifte. Wel was de waardering van de vordering te hoog, omdat de werkelijke financiële situatie van de adviseur al op de peildatum bekend was en de vordering daarom een lagere waarde had.
De rechtbank stelde de waarde van de vordering vast op maximaal € 10.000 en oordeelde dat verweerder niet had bewezen dat de nominale waarde gehanteerd moest worden. De navorderingsaanslag werd daarom verminderd, evenals de heffingsrente. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2004 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 134.566.