ECLI:NL:RBLEE:2010:BL4460
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking van arbiters in geschil over verdeling vennootschapsvermogen landbouwbedrijf
De zaak betreft een wrakingsverzoek van [A] tegen arbiters die zijn benoemd om een geschil tussen hem en zijn broer [B] over de verdeling van het vennootschapsvermogen van hun voormalige landbouwbedrijf te beslechten. De broers exploiteerden sinds 1972 samen een akkerbouwbedrijf in vennootschap onder firma, welke in 1996 werd opgezegd. Sinds 2001 exploiteren zij ieder afzonderlijk een landbouwbedrijf. De verdeling van het vennootschapsvermogen, met name de toedeling en waardering van onroerende zaken en pachtrechten, leidde tot een geschil dat door arbiters werd behandeld.
[A] stelde dat arbiter [arbiter 2] zich buiten zijn opdracht had begeven door in zijn taxatierapport reeds een uitspraak te doen over de toedeling van landerijen, terwijl hierover nog niet was geoordeeld. Tevens klaagde hij dat hij niet in de gelegenheid was gesteld te reageren op het concept-taxatierapport voorafgaand aan het tweede arbitrale tussenvonnis. Hij vreesde daardoor een gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de arbiters.
De arbiters en [B] betwistten deze stellingen en stelden dat het voorlopige oordeel over de toedeling in een mondelinge behandeling was gegeven en dat het taxatierapport slechts de waardering betrof. Partijen hadden gelegenheid gehad te reageren op het eerste concept-rapport en zouden ook op het tweede rapport kunnen reageren. De voorzieningenrechter oordeelde dat de arbiters onpartijdig en onafhankelijk hadden gehandeld, dat het taxatierapport binnen de opdracht viel en dat het wrakingsverzoek ongegrond was. Er werd geen kostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de arbiters wordt ongegrond verklaard.