ECLI:NL:RBLEE:2007:BG9054
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid directeur-grootaandeelhouder voor naheffingsaanslag omzetbelasting wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur
Eiser, directeur-grootaandeelhouder van een BV, werd door de Belastingdienst aansprakelijk gesteld voor een openstaande naheffingsaanslag omzetbelasting van €11.196,53. De aanslag betrof een periode van 1998 tot en met 2000 en omvatte ook boete en rente. Eiser voerde aan dat er in 2004 meerdere contacten waren geweest met de Belastingdienst over betalingsonmacht en dat er geen sprake was van onbehoorlijk bestuur.
De rechtbank stelde vast dat de BV de naheffingsaanslag niet tijdig had betaald en dat verzoeken om uitstel en betalingsregelingen niet als tijdige melding van betalingsonmacht konden worden aangemerkt. Volgens de Invorderingswet en het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet had de betalingsonmacht uiterlijk twee weken na de vervaldag van de aanslag gemeld moeten worden, wat niet was gebeurd.
Omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het niet melden van betalingsonmacht niet aan hem te wijten was, kon hij het vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur niet weerleggen. De rechtbank oordeelde daarom dat de aansprakelijkstelling terecht was. De aansprakelijkheid voor de boete werd door verweerder ingetrokken omdat de betalingen daarop waren afgeboekt. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de aansprakelijkstelling van eiser voor het openstaande bedrag van de naheffingsaanslag omzetbelasting wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.