ECLI:NL:RBLEE:2007:AZ7875
Rechtbank Leeuwarden
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs wanprestatie betonplaten
Dijkstra en Hebo sloten op 8 november 2004 een overeenkomst voor levering van 1700 Ascon betonplaten met betonkwaliteit B55, die een aslast van 15 ton moesten kunnen verdragen. Dijkstra haalde de platen op 16 mei 2005 op, met bijbehorende leginstructies. Later ontstonden er scheuren in de platen, waarna Grontmij onderzoek deed en concludeerde dat de platen mogelijk niet voldeden aan de B45-waarde vanwege onvoldoende verdichting.
Hebo voerde tegenonderzoek uit via KOAC-NPC, dat stelde dat de platen wel aan de overeengekomen eisen voldeden. Dijkstra vorderde in kort geding nakoming van de overeenkomst of een voorschot op schadevergoeding wegens wanprestatie. Hebo stelde dat de scheuren door verkeerd leggen door Dijkstra waren ontstaan en vorderde betaling van een bedrag in reconventie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat voorshands niet aannemelijk was dat Hebo tekort was geschoten, omdat beide partijen onderbouwde rapporten over en weer hadden ingebracht. Verdere bewijslevering was nodig, waarvoor kort geding niet geschikt is. Ook ontbrak het spoedeisend belang bij de reconventionele vordering van Hebo. Daarom werden beide vorderingen afgewezen en werd Dijkstra veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Hebo.
Uitkomst: Vordering van Dijkstra en reconventionele vordering van Hebo worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en gebrek aan spoedeisend belang.