ECLI:NL:RBLEE:2007:AZ7526

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
17 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/1100
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:4 CARArt. 2:4 CARArt. 8:70 AwbArt. 8:74 lid 1 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterecht ontslag wegens vermeende opheffing functie bij gemeente Ooststellingwerf

Eiser was sinds 1 januari 2001 in vaste dienst bij de gemeente Ooststellingwerf, werkzaam bij het bureau wijk- en dorpsbeheer. Verweerder heeft eiser op 28 september 2005 ontslagen op grond van art. 8:4 van Pro de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) en de Uitwerkingsovereenkomst (UWO), omdat de functie van eiser zou zijn opgeheven vanwege het wegvallen van een subsidie.

Eiser betwist het ontslag en voert aan dat zijn functie niet is opgeheven en dat geen van de in art. 8:4 CAR Pro/UWO genoemde ontslaggronden van toepassing is. Ook stelt hij dat er geen zorgvuldig herplaatsingsonderzoek heeft plaatsgevonden. Verweerder stelt dat eiser in het kader van een ID-regeling was aangesteld en dat de subsidie is ingetrokken, waardoor de functie is komen te vervallen.

De rechtbank oordeelt dat eiser met ingang van 1 januari 2001 voor onbepaalde tijd in vaste dienst is aangesteld en dat het feit dat de subsidie is ingetrokken geen invloed heeft op zijn rechtspositie. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de functie van eiser is opgeheven, aangezien de werkzaamheden nog steeds bestaan, ook al zijn sommige uitbesteed. Daarom is het ontslag onterecht en wordt het besluit vernietigd.

De rechtbank bepaalt dat de gemeente het betaalde griffierecht aan eiser moet vergoeden en veroordeelt de gemeente in de proceskosten van eiser. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Uitkomst: Het ontslagbesluit van de gemeente Ooststellingwerf is vernietigd omdat niet is aangetoond dat de functie van eiser is opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Procedurenummer: AWB 06/1100
uitspraak van 17 januari 2007 enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
inzake
[naam],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. M. ten Have, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Apeldoorn,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf,
verweerder,
gemachtigden: H.C. Mertens, werkzaam bij Kragten & Partner Juridisch Adviesbureau te Hoogeveen, en W. Ebbes, werkzaam bij verweerders gemeente.
Procesverloop
Bij brief van 30 maart 2006 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) en de Uitwerkingsovereenkomst (UWO).
Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 14 december 2006. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Wijers, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand. Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen.
Motivering
Bij besluit van 18 december 2000 is eiser met ingang van 1 januari 2001 door verweerder in vaste dienst benoemd bij het bureau wijk- en dorpsbeheer van verweerders gemeente. Bij besluit van 28 september 2005 heeft verweerder eiser op grond van art. 8.4 CAR/UWO eervol ontslagen, omdat zijn functie wegens opheffing van de betrekking is te vervallen. Daartoe is overwogen dat de gemeenteraad van verweerders gemeente heeft besloten geen ID-subsidie meer te verstrekken. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Na behandeling door de Algemene kamer van de commissie van advies voor de bezwaarschriften op 19 januari 2006, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaarschrift conform het advies van deze commissie ongegrond verklaard, met dien verstande dat eiser met ingang van per 1 februari 2006 wordt ontslagen.
Eiser is van mening dat nergens uit blijkt dat hij bij besluit van 18 december 2000 in het kader van de ID-subsidie is aangesteld. Het intrekken van deze subsidie kan daarom ook niet ten grondslag aan het ontslag worden gelegd. Naar de mening van eiser is geen van de in art. 8:4 CAR Pro/UWO genoemde ontslaggronden aan de orde. Het werk bij wijk- en dorpsbeheer bestaat nog steeds en een gebrek aan financiële dekking is niet onderbouwd. Voorts is eiser van mening dat verweerder geen zorgvuldig herplaatsingsonderzoek heeft verricht.
Verweerder stelt dat eiser per 31 december 1998 in het kader van de ID-regeling was aangesteld als toezichthouder. Deze functie voldoet aan de criteria genoemd in de ID-regeling en de toegekende salarisschaal A is uitsluitend bedoeld voor gesubsidieerde banen. Eiser had hieruit kunnen begrijpen dat hij was aangesteld in een ID-baan. Bij zijn aanstelling per 1 januari 2001 is niets in zijn rechtspositie gewijzigd. Verweerder heeft eiser vanaf 8 februari 2005 laten begeleiden door een re-integratiebedrijf in het kader van het trajectplan uitstroom ID 2005 gemeente Ooststellingwerf. Naar de mening van verweerder is daarmee voldaan aan de verplichting met betrekking tot het herplaatsingsonderzoek.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.
Art. 2:4 lid 1 CAR Pro/UWO bepaalt dat een aanstelling vast of tijdelijk geschiedt. Art. 2:4:1 lid 1 onder Pro c CAR/UWO bepaalt dat de ambtenaar voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van de zijn aanstelling ontvangt. Dit bericht vermeldt ondermeer de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld :
i in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;
ii voor de vervulling van een betrekking bij wijze van proef;
iii voor een project met een eenmalige en uniek karakter;
iv hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming;
v als vakantiekracht;
vi voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijk tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren toe één of meer bepaalde groepen van werklozen;
vii als werkzoekende in tijdelijke dienst.
Art. 8:4 CAR Pro/UWO bepaalt dat aan de ambtenaar ontslag kan worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten.
Eiser is bij besluit van 22 december 1998 met ingang van 31 december 1998 aangesteld als dorpswacht voor 32 uur per week voor de duur van één jaar in verband met proeftijd. Bij besluit van 27 december 1999 is eiser met ingang van 1 januari 1999 in vaste dienst aangesteld, onder de voorwaarde dat hij voor 1 juli 2000 het diploma BOA behaalt. Bij besluit van 28 september 2000 is eiser per 1 oktober 2000 voor een proefperiode van drie maanden overgeplaatst naar het bureau wijk- en dorpsbeheer en bij besluit van 18 december 2000 is eiser met ingang van 1 januari 2001 in vaste dienst benoemd bij bureau wijk-en dorpsbeheer.
Met uitzondering van de besluiten van 22 december 1998 en 28 september 2000, waarbij is aangegeven dat deze aanstelling bij wijze van proef was, heeft verweerder in geen enkele aanstelling een aanstellingsgrond als bedoeld in art. 2:4:1 lid 1 onder Pro c CAR/UWO genoemd.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niets anders betekenen dan dat eiser met ingang van 1 januari 2001 voor onbepaalde tijd in vaste dienst is aangesteld. Zijn rechtspositie is derhalve gelijk aan alle andere ambtenaren aangesteld in vaste dienst bij verweerders gemeente. Dat verweerder vanwege deze aanstelling recht had op subsidie heeft voor eisers rechtspositie dan ook geen betekenis. Nog daargelaten dat in het laatste aanstellingsbesluit niets is bepaald met betrekking tot de voor eiser geldende salarisschaal, kan ook de hoogte van het toegekende salaris geen betekenis hebben voor eisers rechtspositie.
Verweerder heeft eiser ontslagen wegens het opheffen van de betrekking. Indien daartoe geen expliciet besluit is genomen, dient te worden beoordeeld of sprake is van de situatie dat het samenstel van werkzaamheden niet langer bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit niet aannemelijk gemaakt. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht begrijpt de rechtbank dat eiser werkzaam was in de groenvoorziening. Verweerder heeft deze werkzaamheden weliswaar (deels) uitbesteed aan Caparis, maar niet is gebleken dat deze werkzaamheden niet langer meer bestaan. Uit het enkele feit dat verweerder voor zijn salarisverplichting jegens eiser thans geen subsidie meer ontvangt, kan immers niet worden afgeleid dat ook de door eiser uitgevoerde werkzaamheden niet meer langer meer bestaan.
Nu verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eisers functie is opgeheven, heeft verweerder eiser ten onrechte op grond van art. 8:4 CAR Pro/UWO ontslagen. Dit oordeel brengt met zich mee dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met art. 8:4 CAR Pro/UWO. De rechtbank komt dan aan de vraag in hoeverre verweerder een toereikend herplaatsingonderzoek heeft uitgevoerd niet meer toe.
Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb Pro dient de gemeente Ooststellingwerf het door eiser gestorte griffierecht van ?€ 141 te vergoeden.
Op grond van art. 8:75 Awb Pro veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiser € 644,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De rechtbank wijst de gemeente Ooststellingwerf aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de gemeente Ooststellingwerf het betaalde griffierecht van € 141,= aan eiser vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,=, aan eiser te vergoeden door de gemeente Ooststellingwerf.
Aldus gegeven door mr. U. van Houten, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2007, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.
w.g. M.A. Jansen
w.g. U. van Houten
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto Pro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: