ECLI:NL:RBLEE:2006:AX1993

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
15 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/1894
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:54 AwbArt. 46b Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring verzoek tot herziening voorlopige voorziening

Opposante heeft bij brief een voorlopige voorziening gevraagd, maar dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen van het griffierecht. Vervolgens verzocht zij om herziening van deze uitspraak, maar dit verzoek werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek niet ziet op een einduitspraak. Opposante maakte hiertegen verzet en stelde dat aan de voorwaarden voor herziening was voldaan en dat de rechter niet onpartijdig zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot herziening terecht niet-ontvankelijk was verklaard omdat een voorlopige voorziening geen einduitspraak is waarop herziening kan worden gevraagd. Ook was er onvoldoende grond om te veronderstellen dat de rechter niet onpartijdig zou zijn, ondanks eerdere betrokkenheid bij zaken van opposante.

Het verzet werd daarom ongegrond verklaard. De uitspraak werd gedaan door rechter J.W. Keuning en openbaar uitgesproken op 15 mei 2006. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot herziening van de voorlopige voorziening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht, belastingkamer
Procedurenummer: AWB 05/1894
Uitspraakdatum: 15 mei 2006
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van:
[X], wonende te [Z], opposante,
gemachtigde: [A].
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb gedane uitspraak van de rechtbank, van 19 januari 2006.
1. Behandeling van het verzet
1.1 Bij genoemde uitspraak van deze rechtbank is het verzoek tot herziening van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van opposante (met bovengenoemd procedurenummer) met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaard, nu het verzoek niet ziet op een einduitspraak.
1.2 Bij brief van 1 maart 2006 heeft opposante verzet gedaan tegen deze uitspraak.
1.3 De opposante is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord.
1.4 Het verzet zou vervolgens ter zitting van 12 april 2006 worden behandeld. Opposante is (aangetekend) schriftelijk uitgenodigd om hierbij aanwezig te zijn, maar is niet ter zitting verschenen. Bij brief van 11 april 2006 heeft de gemachtigde van opposante een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter mr. J.W. Keuning, omdat tegen deze rechter een tuchtrechtelijke klacht op grond van artikel 46b e.v. van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zou zijn ingediend. Mr. Keuning heeft niet in het verzoek om wraking berust.
1.7 Op 12 april 2006 is het wrakingsverzoek behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank, waarbij het verzoek om wraking is afgewezen.
1.8 De rechtbank heeft de behandeling van het verzet vervolgens voortgezet ter zitting van 12 april 2006. Namens de wederpartij is verschenen [B].
2. Feiten en de gronden van het verzet
2.1 Opposante heeft bij brief van 28 mei 2005 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 21 juli 2005 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat het voor dit verzoek verschuldigde griffierecht niet is voldaan.
2.2 De gemachtigde van opposante heeft bij brief van 30 augustus 2005, ingekomen bij de rechtbank op 1 september 2005, de rechtbank verzocht om de onder punt 2.1 bedoelde uitspraak te herzien.
2.3 Bij de in verzet bestreden uitspraak van de belastingkamer is het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard.
3. Gronden van het verzet
3.1 De gronden waarop opposante haar verzet baseert staan vermeld in het verzetschrift. Opposante stelt zich - onder meer en samengevat - op het standpunt dat zij aan alle voorwaarden van een verzoek tot herziening heeft voldaan. De (grond voor de) niet-ontvankelijkverklaring is volgens opposante onrechtmatig. Opposante stelt voorts dat de rechter in de bestreden uitspraak niet onpartijdig zou zijn, nu hij eerdere zaken van haar heeft beoordeeld en de beroepen ongegrond heeft verklaard.
4. Beoordeling van het verzet
4.1 Op grond van artikel 8:88, eerste lid, Awb kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien. Op grond van de tekst van voornoemd artikel en de parlementaire geschiedenis van deze bepaling moet een verzoek om herziening van een uitspraak, gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening, niet-ontvankelijk worden geacht. De Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 160) vermeldt namelijk het volgende:
"Partijen dienen in de gelegenheid te zijn, herziening van een onherroepelijke einduitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 en van de president van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 te Pro vragen, indien deze uitspraak in het licht van nieuw gebleken feiten van vóór deze uitspraak geen stand meer kan houden".
4.2 Nu het verzoek om een voorlopige voorziening geen uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaak behelst, heeft de rechtbank het verzoek tot herziening van die uitspraak terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.3 De enkele omstandigheid dat de rechter die de bij verzet bestreden uitspraak heeft gedaan, eerder in zaken van opposante heeft geoordeeld, is onvoldoende grond voor het oordeel dat die rechter niet meer zonder (de schijn van) vooringenomen te zijn, heeft kunnen beslissen.
5. Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 15 mei 2006 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van T. Terpstra, griffier.
Afschrift aangetekend
verzonden aan opposante en de wederpartij in het bodemgeschil op: 16 mei 2006
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen opposante en de wederpartij in het bodemgeschil binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag
Bij het instellen van beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het beroep in cassatie.