AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijke toetsing ontslag in strijd met anciënniteitbeginsel
Eiser was sinds 1976 werkzaam bij Van Nelle Tabak BV en werd in 2004 ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen. UWV weigerde een WW-uitkering omdat het ontslag in strijd zou zijn met het anciënniteitbeginsel, gebaseerd op het oordeel dat eisers functie niet uitwisselbaar was met die van een andere werknemer.
De rechtbank beoordeelde of de functies van Kwaliteitsbeheerder en Quality System Assistent uitwisselbaar waren. UWV had onvoldoende gemotiveerd waarom deze functies vergelijkbaar zouden zijn, terwijl de werkgever en eiser stelden dat de functies verschillen in aard, inhoud, beloning en scholing.
Daarmee was het besluit van UWV onvoldoende onderbouwd en in strijd met het anciënniteitbeginsel. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit, en wees UWV aan als partij die het griffierecht en proceskosten aan eiser moet vergoeden.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 vanPro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 05/837
Inzake het geding tussen
[A], wonende te [B],
eiser,
gemachtigde: mr. H.N. Kok-Hiemstra, werkzaam bij CNV Bedrijvenbond te Drachten,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,
gemachtigde: mr. F.H.M.A. Swarts, werkzaam bij het UWV.
Procesverloop
Bij brief van 13 april 2005 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).
Tegen dat besluit is namens eiser beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 2 maart 2006. Partijen hebben zich daarbij doen vertegenwoordigen door bovenvermelde gemachtigden.
Motivering
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
Eiser is sinds 27 september 1976 werkzaam geweest bij Van Nelle Tabak BV (hierna: Van Nelle), laatstelijk, sedert september 2002, in de functie van Kwaliteitsbeheerder.
Bij beschikking van de Sector Kanton van deze rechtbank gedateerd 27 mei 2004 is - naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoekschrift van Van Nelle van 19 mei 2004 - de tussen eiser en Van Nelle bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2004 ontbonden onder toekenning van een ontslagvergoeding aan eiser.
Op 16 juni 2004 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd.
Verweerder heeft bij brief van 19 augustus 2004 het CWI gevraagd of in eisers geval ontslagvergunning zou zijn verleend. Bij brief van 27 september 2004 heeft het CWI die vraag ontkennend beantwoord omdat eiser in strijd met het anciënniteitbeginsel is ontslagen.
Bij besluit van 28 september 2004, aan eiser gezonden op 23 november 2004, heeft verweerder eisers aanvraag om een WW-uitkering afgewezen onder de overweging dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden omdat uit onderzoek is gebleken dat voor het ontslag geen bedrijfseconomische noodzaak aanwezig was.
Hiertegen is namens eiser op 22 december 2004 bezwaar gemaakt.
Bij brief van 14 februari 2005 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de motivering van het besluit van 14 februari 2005 dient te worden gewijzigd in die zin dat eiser in strijd met het anciënniteitbeginsel is ontslagen.
Bij afzonderlijke besluiten van 4 maart 2005 heeft verweerder, voor zover hier van belang, medegedeeld dat het besluit van 28 september 2004 is ingetrokken, alsmede dat de eerste werkloosheidsdag is vastgesteld op 1 september 2004 en voorts dat per 1 september 2004 geen recht op WW-uitkering bestaat omdat uit onderzoek is gebleken dat eiser in strijd met het anciënniteit- of afspiegelingsbeginsel is ontslagen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat het lopende bezwaar wordt geacht te zijn gericht tegen de nieuw genomen besluiten van 4 maart 2005.
Vervolgens is namens eiser bij brief van 8 april 2005 het bezwaar aangevuld.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de besluiten van 4 maart 2005 gehandhaafd. Ter motivering heeft verweerder onder meer gewezen op het advies van het CWI waaruit blijkt dat eiser in strijd met het anciënniteitbeginsel is ontslagen en dat zijn functie uitwisselbaar was met de functie Quality System Assistent die door een andere werknemer, mevrouw [C], werd vervuld. De kwalificaties van eiser zijn volgens verweerder niet van belang voor de beoordeling of sprake is van uitwisselbare functies. Van de werkgever had verwacht mogen worden om eiser zonodig op het gewenste niveau te brengen door hem de benodigde opleidingen te laten volgen.
In het beroepschrift stelt eiser zich, kort samengevat, op het standpunt dat niet in strijd met het anciënniteitbeginsel is gehandeld. Gesteld is dat de functie van Quality System Assistent niet uitwisselbaar is met de functie van eiser, gelet op de aard en de inhoud van de functies, de beloning en de benodigde scholing en ervaring. Daarbij is verwezen naar de brief van 8 april 2005 waarbij op deze punten een uitvoerige toelichting is gegeven. Eiser heeft geconcludeerd dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en daarom niet in stand kan blijven. Subsidiair is gesteld dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Verweerder heeft bij verweerschrift van 10 augustus 2005 zijn standpunt gehandhaafd en nader toegelicht.
De rechtbank overweegt als volgt.
In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Ingevolge art. 24 lid 1 aanhefPro en onderdeel a WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onderdeel b, is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
Art. 27 lid 1 WWPro bepaalt -voor zover hier van belang- dat het UWV de uitkering blijvend geheel weigert, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van art. 24 lid 1 onderdeelPro a opgelegd, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert verweerder de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.
Het geding spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of eiser in strijd met het anciënniteitbeginsel is ontslagen en hij deswege verweer had moeten voeren bij de kantonrechter. In dat kader dient allereerst beoordeeld te worden of de functie van Quality System Assistent uitwisselbaar is met de laatstelijk door eiser - sinds 2002 - verrichte functie van Kwaliteitsbeheerder. Niet in geschil is dat de reorganisatie bij Van Nelle, waarbij eisers functie is komen te vervallen, om bedrijfseconomische redenen noodzakelijk was.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van uitwisselbare functies moet naar het oordeel van de rechtbank worden gekeken naar de aard en inhoud van de functie (zoals die luidde ten tijde van de reorganisatie). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de functie Kwaliteitsbeheerder uitwisselbaar zou zijn met de functie Quality System Assistent. Mede nu de werkgever van eiser heeft aangegeven dat de functie Quality System Assistent, naast dezelfde werkzaamheden, een hoger gekwalificeerd takenpakket had en namens eiser (mede naar aanleiding van de functiebeschrijvingen van de functies) uitvoerig gemotiveerd is dat de werkzaamheden vooral op de punten "uitvoerend" en "beleidsmatig" niet uitwisselbaar zijn, had het op de weg van verweerder gelegen ter zake een gedegen onderzoek te doen. Dit geldt temeer, nu de inwisselbaarheid van de functies (in het kader dat eiser in strijd met het anciënniteitbeginsel zou zij ontslagen) de grondslag vormt van het bestreden besluit. Daarbij is immers gesteld dat nu eiser in strijd met dit beginsel is ontslagen en hij ter zake geen verweer heeft gevoerd, hij als verwijtbaar werkloos dient te worden aangemerkt. Nu verweerder dit heeft nagelaten en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de functies qua aard en inhoud vergelijkbaar zouden zijn, dient het beroep gegrond te worden verklaard en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank, overeenkomstig artikel 8:74 AwbPro, het UWV aanwijzen als de rechtspersoon die het door eiser betaalde griffierecht ad € 37,- aan hem dient te vergoeden.
De rechtbank ziet tevens aanleiding om verweerder, met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Awb, te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten, die in het geval van eiser geheel bestaan uit door een derde beroepsmatig verrichte rechtsbijstand, worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,- en wegingsfactor 1). Het UWV dient deze proceskosten aan eiser te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- wijst het UWV aan als de rechtspersoon die het door eiser betaalde griffierecht van € 37,- aan hem dient te voldoen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van het UWV als de
rechtspersoon die deze kosten aan hem dient te voldoen.
Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2006, in tegenwoordigheid van mr. A.J.T. Harkema als griffier.
w.g. A.J.T. Harkema w.g. E.M. Visser
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 junctoPro 6:24 van de Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending
van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te verzenden aan:
de Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.