ECLI:NL:RBLEE:2006:AV2471

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
20 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
06/345
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1a AwbArt. 8:54a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugverwijzing wegens ongeschiktheid rechtstreeks beroep bij bouwaanvraag windturbine

Eiser diende bezwaar in tegen het standpunt van de gemeente Leeuwarden omtrent een bouwaanvraag voor het oprichten van een windturbine op een perceel te Leeuwarden. Eiser verzocht tevens om instemming met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Verweerder stemde hiermee in en zond het beroepschrift door.

De rechtbank oordeelde dat verweerder kennelijk ten onrechte had ingestemd met het rechtstreeks beroep, omdat de zaak niet geschikt was voor deze procedure. De standpunten van partijen waren niet zodanig duidelijk en uitgeput dat heroverweging door het bestuursorgaan niet meer te verwachten viel.

Daarom besloot de rechtbank het onderzoek te sluiten en verweerder te gelasten het beroepschrift als bezwaarschrift te behandelen. Tevens werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank wijst het rechtstreeks beroep af en gelast het bestuursorgaan het beroepschrift als bezwaarschrift te behandelen en het griffierecht te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:54a van de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 06/345
Inzake het geding tussen
Tadema Beheer, gevestigd te Leeuwarden, eiser,
gemachtigde: mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden,
en
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, verweerder,
gemachtigde: mr. drs. J.A. de Vries, directeur Algemene zaken bij verweerders gemeente.
Procesverloop
Bij brief van 15 december 2005 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn standpunt inzake de bouwaanvraag voor het oprichten van een windturbine op het perceel Orionweg 1-3 te Leeuwarden. Bij brief van 12 januari 2006 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift heeft eiser tevens verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank als bedoeld in artikel 7:1a, lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit van 20 januari 2006 heeft verweerder ingestemd met het verzoek en het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank, ter behandeling als beroepschrift.
De rechtbank aanleiding gezien toepassing te geven aan artikel 8:54a lid 1 Awb en daarom is de mondelinge behandeling van het beroep achterwege gebleven.
Motivering
Krachtens artikel 7:1a lid 1 van de Awb kan de indiener van een bezwaarschrift in dat bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.
Ingevolge artikel 7:1a lid 3 van de Awb kan het bestuursorgaan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.
Artikel 8:54a lid 1 van de Awb bepaalt dat de rechtbank - totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen - het onderzoek kan sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat het bestuursorgaan kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep bij de rechtbank.
Volgens artikel 8:54a lid 2 van de Awb strekt de uitspraak er in dat geval toe dat het bestuursorgaan het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep. Hierbij wordt in het volgende in aanmerking genomen.
Rechtstreeks beroep is - zo blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis van de artikelen 7:1a en 8:54a van de Awb - bij uitstek aan de orde in geschillen waarin de standpunten van de betrokken partijen over en weer duidelijk zijn, terwijl daarbij niet de objectieve verwachting bestaat dat heroverweging van het primaire besluit door het bestuursorgaan tot een wijziging in die standpunten zal leiden. In de onderhavige zaak verschillen partijen in eerste plaats van mening over de vraag of de brief van 15 december 2005 aangemerkt dient te worden als een besluit. Die vraag betreft echter de ontvankelijkheid van het beroepschrift. Indien de rechtbank deze vraag bevestigend zou beantwoorden, zal zij vervolgens moeten beoordelen of verweerder in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen weigeren. Nu niet gebleken is dat de standpunten van partijen inzake die vraag op grond van een uitputtende gedachtewisseling over en weer duidelijk zijn, is de zaak naar het oordeel van de rechtbank niet geschikt voor rechtstreeks beroep. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 2000-2001, 27 563, nr. 3, p. 7 en 9) blijkt dat twijfel over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift voor verweerder reeds aanleiding had dienen te zijn om het verzoek om rechtstreeks beroep af te wijzen. Gelet op bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep.
De rechtbank zal bepalen dat verweerder het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling zal nemen. De rechtbank ziet tevens aanleiding te gelasten dat verweerder het griffierecht aan eiser zal vergoeden, nu verweerder ten onrechte heeft ingestemd met het rechtstreeks beroep.
Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat verweerder het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt;
- bepaalt dat de gemeente Leeuwarden het betaalde griffierecht van € 276,- aan eiser vergoedt;
Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2006 door voornoemde rechter in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.
w.g. M.A. Jansen
w.g. E. de Witt
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden op: 20 februari 2006