Beoordeling van het geschil
4.1. De waarde in het economische verkeer is de prijs, die bij aanbieding van het goed ten verkoop op de meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed.
4.2. Van Ommen –een waardedeskundige– is in de door hem uitgevoerde taxatie van het bedrijfspand uitgegaan van de tussen eiser en zijn echtgenote (gezamenlijk te noemen de verhuurder) en [Q] BV (de huurder) per 1 februari 2001 overeengekomen huurprijs van f 270.000,-- (€ 122.500,--) per jaar voor de duur van de eerste 10 jaren, en hij heeft deze huur vervolgens vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor van 10.
Deze factor 10 is – naar namens verweerder ter zitting is gesteld en door eiser niet, althans onvoldoende, weersproken – ter zake van bedrijfspanden als de onderhavige (rekening houdend met onder meer de grootte, ligging, indeling en onderhoudstoestand, en de op basis daarvan bepaalde reciproque van het gewenste rendement) gangbaar. Voor de rechtbank is er geen aanleiding deze factor in casu niet te volgen. Daarin wordt de rechtbank gesterkt door de omstandigheid dat verweerder niet, althans onvoldoende, weersproken heeft gesteld dat met betrekking tot een tweetal te koop staande bedrijfspanden (één in [plaats] en één in [plaats]) de vraagprijs zich rond 10 maal de jaarhuur begeeft.
De rechtbank is voorts van oordeel is dat de ter zake van de eerste tien jaren overeengekomen huurprijs van f 270.000,-- een zakelijke, in het kader van de onderhavige taxatie aan te wenden, huurprijs betreft. Dat, zoals eiser voorstaat, bij de onderhavige waardevaststelling rekening gehouden moet worden met een zakelijke huurprijs van f 170.000,-- per jaar, welke prijs tussen de verhuurder aan de ene kant en de huurder aan de andere kant is overeengekomen voor de jaren na de eerste periode van 10 jaar, kan de rechtbank niet volgen. Eiser heeft weliswaar gesteld, doch, mede gelet op de onder 2.5. vermelde conclusies in de rapportage van [B], niet aannemelijk gemaakt dat hij in verband met een toekomstige saneringsverplichting ter zake van de aanwezige vervuiling gedurende een periode van 10 jaren een vergoeding van de huurder heeft afgedwongen van f 100.000,-- per jaar, waardoor uiteindelijk een verhoging van de zakelijke huurprijs van f 170.000,-- tot op f 270.000,-- gedurende 10 jaar is overeengekomen. Dat het aan de huurder verleende voorkeursrecht van koop van invloed zou zijn geweest op de vaststelling van hoogte van de te betalen huur ad f 270.000,-- per 1 februari 2001, acht de rechtbank evenmin door eiser aannemelijk gemaakt. De rechtbank wordt in het oordeel dat de zakelijke jaarhuur voor het bedrijfspand door verweerder terecht is vastgesteld op f 270.000,-, gesterkt door het vaststaande feit dat voor andere bouwmarkten in Fryslân huren tussen € 56 en € 70 per m2 zijn betaald, terwijl, uitgaande van een jaarhuur van f 270.000,-, voor het onderhavige bedrijfspand een in voormelde bandbreedte passende huur van € 61,-- per m2 is verschuldigd.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder, die in het kader van de aanslagregeling is uitgegaan van genoemde taxatie van Van Ommen, de waarde in het economische verkeer per 1 februari 2001 niet te hoog heeft vastgesteld.
4.3. De door eiser aangevoerde argumenten (de aankoop van het bedrijfspand op 20 januari 2000 voor een bedrag van f 1.700.000,-- en de vastgestelde WOZ-waarde van € 622.132,-- ) en ingediende rapportages (van de waardedeskundigen Walinga en Schoonhoven) kunnen het taxatierapport van Van Ommen naar het oordeel van de rechtbank niet ontkrachten. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat Walinga slechts een summiere onderbouwing van de door hem voorgestane waarde verschaft, dat Schoonhoven het bedrijfspand geruime tijd vóór 1 februari 2001, namelijk per 15 januari 1997, heeft getaxeerd en dat de waarde in het kader van de Wet waardering onroerende zaken naar vaststaat is bepaald naar de waardepeildatum 1 januari 1999, derhalve geruime tijd vóór de 1 februari 2001. Ook de aankoop van het bedrijfspand door de VOF voor f 1.700.000,-- heeft ruim een jaar vóór 1 februari 2001 plaatsgevonden. Ook overigens zijn er geen feiten gesteld en vervolgens aannemelijk gemaakt die leiden tot de conclusie dat verweerder de waarde in het economische verkeer van het bedrijfspand per 1 januari 2001 op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
4.4. Het gelijk ligt derhalve aan de kant van verweerder. Zijn primaire stelling snijdt hout.