Beoordeling van het geschil
4.1 Op grond van artikel 6.16, aanhef en letter f van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) zijn de uitgaven wegens adoptie door eiser en zijn partner buitengewone uitgaven.
4.2 Op grond van artikel 6.23, eerste lid, van de Wet worden als uitgaven wegens adoptie aangemerkt de uitgaven voor de indiening en de behandeling van een verzoek tot het uitspreken van adoptie door de rechter. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot in aanmerking te nemen uitgaven wegens adoptie van een kind dat in een ander land woonde dan de adoptanten voordat het kind door adoptanten feitelijk werd verzorgd en opgevoed.
4.3 Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB) worden als uitgaven wegens adoptie van een kind dat in een ander land woonde dan de adoptanten voordat het kind door de adoptanten feitelijk werd verzorgd en opgevoed, in aanvulling op de uitgaven bedoeld in artikel 6.23, eerste lid, van de Wet uitsluitend aangemerkt de uitgaven:
a. voor de algemene voorlichting, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie dan wel daarmee overeenkomende uitgaven indien laatstgenoemde wet op deze adoptie van toepassing is;
b. voor bemiddeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie tot een bedrag van ten hoogste € 681,-- dan wel daarmee overeenkomende uitgaven tot ten hoogste het eerder genoemde bedrag indien laatstgenoemde wet op deze adoptie niet van toepassing is;
c. verband houdende met de indiening en de behandeling van een verzoek tot het uitspreken van adoptie volgens het recht van het land van herkomst van het kind;
d. voor vervoer en begeleiding van het kind naar de woning of verblijfplaats van de adoptanten, met dien verstande dat als reis- en verblijfkosten van de adoptanten in totaal niet meer dan de reis- en verblijfkosten met betrekking tot een heen- en terugreis per persoon in aanmerking worden genomen.
4.4 De rechtbank overweegt dat het geschil betrekking heeft op de uitleg van het hierboven aangehaalde artikel 39, eerste lid, aanhef en onder c, URIB. Toegespitst op dit geding volgt naar het oordeel van de rechtbank uit deze bepaling dat uitsluitend de werkelijk opgekomen uitgaven voor de indiening en de behandeling van het verzoek tot het uitspreken van adoptie in Colombia van het betrokken kind -[D]- voor aftrek in aanmerking komen. Het door Wereldkinderen vastgestelde solidariteitstarief is niet aan te merken als een dergelijke uitgave, omdat het vereiste rechtstreekse verband ontbreekt met de voor [D] in Colombia gemaakte adoptiekosten, aangezien de door Wereldkinderen vastgestelde bijdrage onafhankelijk is van de in het land van herkomst belopen kosten; het betreft een gemiddelde. Dit betekent dat verweerder de aftrek van de solidariteitsbijdrage als zodanig terecht heeft gecorrigeerd.
4.5 Nu uit de nota van Wereldkinderen noch uit enig ander gedingstuk valt af te leiden wat de werkelijke uitgaven als bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onder c, URIB voor de adoptie van het betrokken kind zijn geweest, heeft verweerder evenmin op die grond (een gedeelte van de) kosten in aftrek hoeven toe te laten.
4.6 De verwijzing door eiser naar de uitspraak van het gerechtshof te 's Hertogenbosch van 21 april 2004, 02/03497, LJN: AQ4606, leidt niet tot een ander oordeel, omdat het gerechtshof heeft geoordeeld over de aftrekbaarheid van werkelijk in China belopen en door de autoriteiten van dat land vastgestelde kosten en niet over de aftrekbaarheid van het solidariteitstarief dat Wereldkinderen hanteert.
4.7 Het verplichte karakter -geen bijdrage, geen bemiddeling, geen adoptie- van de door Wereldkinderen vastgestelde bijdrage leidt evenmin tot een ander oordeel, omdat uit die verplichting niet de vereiste rechtstreekse samenhang met de in het land van herkomst opgekomen werkelijke uitgaven voortvloeit.
4.8 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.