Art. 44 WoningwetArt. 46 lid 1 WoningwetArt. 50 lid 1 WoningwetArt. 50 lid 5 WoningwetArt. 51 lid 1 Woningwet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bouwvergunning dagopvang dak- en thuislozen in beschermd stadsgezicht Leeuwarden
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden om een bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een pand aan de Zuidergrachtswal 15 te Leeuwarden tot dagopvang voor dak- en thuislozen. Eisers voerden onder meer aan dat het besluit niet ondersteund werd door een vereiste verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten en dat het bouwplan niet aan de bestemmingsplanregels voldeed.
De rechtbank overweegt dat de bouwvergunning terecht is verleend, aangezien ter plaatse geen bestemmingsplan geldt en de voorbereidingsbescherming was vervallen. Gedeputeerde staten hadden bovendien een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Het bouwplan betreft een interne verbouwing die het beschermd stadsgezicht niet aantast en het gebruik als maatschappelijke voorziening past binnen de functie 'gemengde doeleinden' van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.
De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat er geen strijd is met de Woningwet, bouwverordening, het Bouwbesluit of de Monumentenwet. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de bouwvergunning voor de dagopvang wordt ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 vanPro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 01/865 WW44
Inzake het geding tussen
de Vereniging tot voorkoming van drugsverslaafdenopvang in de Leeuwarder wijken Oranjewijk, Klanderijbuurt en Tulpenburg, gevestigd te Leeuwarden, en
[namen eisers sub 2 en 3], wonende te [woonplaats],
gezamenlijk te noemen eisers,
gemachtigde: mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden,
en
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, verweerder,
gemachtigden: F. Huitema en mr. J. Knottnerus, beiden werkzaam als ambtenaar in dienst van de gemeente Leeuwarden.
Procesverloop
Bij brief van 4 september 2001 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar van 21 augustus 2001 betreffende de toepassing van de Woningwet.
Tegen dit besluit is namens eisers op 3 oktober 2001 beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 29 oktober 2002. Van de zijde van eisers zijn verschenen [eiser sub 2] en mr. A.H. van der Wal, kantoorgenoot van mr. Sleijfer voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigden. Namens Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS), die als derde-belanghebbenden zijn uitgenodigd, is niemand verschenen.
Motivering
Conform een daartoe op 6 oktober 2000 ingediende aanvraag, heeft verweerder op 1 februari 2001 aan de Gemeente Leeuwarden, team Vastgoed, een bouwvergunning verleend voor het veranderen van het pand aan de Zuidergrachtswal 15 te Leeuwarden tot dagopvang voor dak- en thuislozen.
Tegen dit besluit hebben eisers op 7 maart 2001 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift, conform het advies van de Commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie), ongegrond verklaard en de primaire beslissing van 1 februari 2001 gehandhaafd.
De rechtbank overweegt als volgt.
In art. 44 WoningwetPro is bepaald dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het bouwbesluit, of indien het bouwplan naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.
Ingevolge art. 46 lid 1 WoningwetPro beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen. Op grond van art. 51 lid 1 WoningwetPro houden burgemeester en wethouders, in afwijking van art. 46 lid 1 WoningwetPro, een beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de aanvraag een bouwwerk betreft, behorend tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan geldt. In art. 51 lid 3 WoningwetPro is bepaald dat, onverminderd art. 50 lid 5 enPro 6 van die wet, burgemeester en wethouders in afwijking van art. 51 lidPro 1, de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde, ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht strekkende bestemmingsplan en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben. Ingevolge art. 51 lid 4 WoningwetPro horen gedeputeerde staten de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, alvorens omtrent het verlenen van de verklaring van geen bezwaar te beslissen.
De grief van eisers dat aan het bestreden besluit geen verklaring van geen bezwaar ex art. 19 lid 3 WetPro op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ten grondslag ligt, waarbij de rechtbank aanneemt aan dat hier zal zijn bedoeld art. 19 lid 1 ofPro 2 WRO, faalt reeds om reden dat ter plaatse geen bestemmingsplan geldt. Voor zover bedoeld is aan te geven dat het bestreden besluit niet had kunnen worden genomen zonder een van GS verkregen verklaring van geen bezwaar ex art. 50 lid 5 WoningwetPro, stuit deze grief af op het gegeven dat, zoals blijkt uit de gedingstukken, de voorbereidingsbescherming ex art. 50 lid 1 WoningwetPro als gevolg van het expireren van het voorbereidingsbesluit ten tijde hier van belang was vervallen.
Namens eisers is verder aangevoerd, dat het bezwaarschrift door verweerder op grond van een ex tunc toetsing gegrond had moeten worden verklaard. Onder verwijzing naar r.o. 2.5 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 22 februari 2001 (AB 2002, 71), is namens eisers in dit verband betoogd dat door het vervallen van het voorbereidingsbesluit het rechtsregime in voor hen ongunstige zin is gewijzigd.
Naar het oordeel van de rechtbank kan deze grief niet slagen. In voormelde zaak heeft de AbRS ten aanzien van de vraag of burgemeester en wethouders -nadat een eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd- een aanvraag dienen te toetsen aan een inmiddels gewijzigd, voor de aanvrager nadelig rechtsregime, overwogen dat in een dergelijk geval een uitzondering moet worden aangenomen op de hoofdregel dat na een vernietiging opnieuw in de zaak moet worden voorzien, rekening houdend met de sedert het tijdstip van de vernietigde beschikking gewijzigde omstandigheden. Nog los van het gegeven dat het in deze zaak niet gaat om een na een vernietiging door de rechter opnieuw te nemen beslissing op bezwaar, ziet de rechtbank ziet geen grond voor een analoge toepassing van deze overwegingen op de situatie van eisers, aangezien zij niet de aanvragers van de bouwvergunning zijn. In dit geval geldt daarom de hoofdregel, dat ten tijde van de beslissing op bezwaar moet worden beslist op grond van het op dat moment geldende rechtsregime, en rekening houdend met de op dat tijdstip bekende omstandigheden. Zelfs indien dit anders zou zijn, leidt dit niet tot het door eisers gewenste resultaat, aangezien de rechtbank van oordeel is, zoals blijkt uit de hierna weer te geven overwegingen, dat het bouwplan in overeenstemming is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.
Het bouwperceel bevindt zich in een ingevolge de Monumentenwet 1988 als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied. Dit betekent dat de bouwaanvraag op grond van art. 51 lid 1 WoningwetPro diende te worden aangehouden. In het onderhavige geval is tot vergunningverlening overgegaan nadat GS op 23 januari 2001 de in art. 51 lid 3 WoningwetPro bedoelde verklaring van geen bezwaar hadden afgegeven.
Verweerder stelt zich, zo blijkt uit het bestreden besluit en het verweerschrift, op het standpunt dat in het kader van de procedure ex art. 51 lid 3 WoningwetPro de toetsing aan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan beperkt is tot de invloed van het bouwplan op de waarde van het beschermd stadsgezicht. Namens eisers is aangevoerd dat verweerder en GS ten onrechte zijn voorbijgegaan aan een toetsing van het bouwplan aan de in het (voor-)ontwerp bestemmingsplan "Klanderijbuurt/Tulpenburg" opgenomen doeleindenomschrijving "gemengde doeleinden".
Naar het oordeel van de rechtbank kan het antwoord op de vraag of de zienswijze van verweerder geheel juist is, in het midden blijven. Uit de stukken, waarvan met name genoemd het advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg van 16 juli 2002, blijkt genoegzaam dat het bouwplan het beschermd stadsgezicht niet zal aantasten, omdat het een interne verbouwing betreft waarbij de bestaande karakteristieke hoofdvorm van het gebouw ongewijzigd in stand blijft. De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat het beoogde gebruik als dagopvang voor dak- en thuislozen zich niet zou verhouden met de functie "gemengde doeleinden", waaronder in het ter bescherming van het beschermde stadsgezicht strekkende (voor-)ontwerp bestemmingsplan "Klanderijbuurt/Tulpenburg" mede worden begrepen "maatschappelijke voorzieningen". De rechtbank wijst er hierbij op, dat voormeld concept-bestemmingsplan er weliswaar van uitgaat dat het gebruik ten behoeve van "maatschappelijke voorzieningen" in beginsel is beperkt tot de eerste bouwlaag, doch dat is voorzien in de mogelijkheid van een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid voor de tweede en hogere bouwlagen.
De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat, zoals namens eisers is aangevoerd, een concept-bestemmingsplan een onvoldoende planologisch kader biedt om op te kunnen anticiperen. Anders dan in de door eisers aangehaalde uitspraak van de AbRS van 28 augustus 2002 (nr. 200104940/1) is in het onderhavige geval immers geanticipeerd op een concept-bestemmingsplan ten aanzien waarvan in het advies van 16 maart 1998 van de commissie van overleg ex art. 10 vanPro het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 geen voor de onderhavige zaak van belang zijnde opmerkingen zijn gemaakt.
Strijd met de bouwverordening of met de bepalingen van het Bouwbesluit is niet gesteld, noch is de rechtbank daarvan gebleken. Evenmin zijn er aanwijzingen dat voor het bouwplan een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist.
De rechtbank komt derhalve tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, in het openbaar uitgesproken op 28 november 2002, in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.
w.g. F.P. Dillingh
w.g. E. de Witt
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 junctoPro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Postbus 20019
2500 EA Den Haag
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.