ECLI:NL:RBLEE:2002:AE1707
Rechtbank Leeuwarden
- Kort geding
- R.Tj. Terpstra
- Rechtspraak.nl
Concurrentiebeding buiten werking gesteld wegens onevenredige belemmering werknemer
De werknemer trad in april 2000 in dienst bij Credo Nederland B.V. met een concurrentiebeding van drie jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2002 wilde de werknemer in dienst treden bij SMEG Nederland BV, een bedrijf dat volgens hem niet concurreert met Credo.
De werknemer stelde dat het concurrentiebeding niet geldig was vanwege het ontbreken van een schriftelijke bevestiging na omzetting naar een contract voor onbepaalde tijd en dat het beding door functieverzwaring zwaarder op hem drukte. Daarnaast voerde hij aan dat handhaving van het beding onredelijk was gezien de korte duur van het dienstverband en het feit dat Credo en SMEG in verschillende marktsegmenten opereren.
Credo betwistte de vordering en stelde dat het concurrentiebeding geldig was en dat handhaving noodzakelijk was ter bescherming van haar en haar zusteronderneming Architecnica, die mogelijk in concurrentie met SMEG zou komen.
De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding geldig was, maar dat het belang van de werknemer bij het aanvaarden van het nieuwe dienstverband zwaarder woog dan het belang van Credo bij handhaving van het beding. Credo had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk schade zou lijden. Daarom werd het concurrentiebeding buiten werking gesteld totdat in een bodemprocedure anders wordt beslist.
Uitkomst: Het concurrentiebeding wordt buiten werking gesteld totdat in een bodemprocedure anders wordt beslist.