ECLI:NL:RBLEE:2001:AD3855
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarigen naar Griekenland op grond van geworteldheid in Nederland
De zaak betreft een verzoek van de Centrale Autoriteit namens de vader om minderjarigen terug te leiden naar Griekenland op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De moeder had de kinderen in november 1999 meegenomen naar Nederland en verbleef daar sindsdien met hen.
De Centrale Autoriteit stelde dat de vader geen toestemming had gegeven voor het achterhouden van de kinderen en dat de moeder in strijd handelde met het gezamenlijke ouderlijk gezag volgens de Griekse wet. De moeder verweerde zich met het argument dat de kinderen inmiddels geworteld zijn in Nederland, aangezien zij er langere tijd wonen, naar school gaan en sociale contacten hebben.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot teruggeleiding later dan een jaar na de vermeende ongeoorloofde achterhouding bij de rechter was ingediend, waardoor de geworteldheid van de kinderen een reden is om terugkeer af te wijzen. Tevens werd geoordeeld dat de termijn van een jaar in artikel 12 van Pro het verdrag wordt geteld vanaf het moment van indiening bij de rechterlijke of administratieve autoriteit in Nederland, en niet bij de Centrale Autoriteit.
De rechtbank concludeerde dat de kinderen geworteld zijn in hun nieuwe omgeving, wat door de moeder met onderbouwde verklaringen werd aangetoond en niet voldoende werd weersproken door de vader. Daarom werd het verzoek tot teruggeleiding afgewezen. Een beoordeling van de ongeoorloofde achterhouding werd achterwege gelaten.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Griekenland wordt afgewezen vanwege hun geworteldheid in Nederland.