ECLI:NL:RBLEE:2001:AB1979

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
6 juni 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
43036
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:159 BWArt. 1:401 lid 1 BWArt. 429i RvArt. 348 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging ex-partneralimentatie en bewijsopdrachten in familierechtelijke procedure

In deze civiele procedure bij de rechtbank Leeuwarden staat de wijziging van een ex-partneralimentatiebeschikking centraal. De man heeft zijn verzoek gewijzigd en betwist de verbindendheid van een niet-wijzigingsbeding, omdat dit beding niet persoonlijk is ondertekend zoals vereist volgens artikel 1:159 lid 1 BW Pro en jurisprudentie van de Hoge Raad. De rechtbank acht deze wijziging toelaatbaar en wijst het verzoek toe om de alimentatiebeschikking te herzien.

De rechtbank constateert dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de actuele financiële situatie van de man en diens eventuele partner. Daarom draagt zij de man op om recente bewijsstukken van inkomsten en lasten te overleggen, inclusief een bruto draagkrachtberekening volgens de Tremanormen en belastingwetgeving 2001. Tevens krijgt de vrouw de opdracht om tijdig schriftelijk te reageren op de ingediende stukken.

De zaak wordt verwezen naar een pro forma terechtzitting op 3 augustus 2001, waar op basis van de aangeleverde gegevens een beslissing zal worden genomen over de alimentatie. De rechtbank waarschuwt partijen dat het niet tijdig of volledig voldoen aan de bewijsopdrachten nadelig kan uitpakken en tot een eindbeslissing kan leiden. Verdere beslissingen worden aangehouden tot na deze zitting.

Uitkomst: De rechtbank wijst de wijziging toe en verwijst de zaak naar een pro forma zitting voor nadere bewijslevering en beslissing over alimentatie.

Uitspraak

Uitspraak: 6 juni 2001
Rekestnummer: 1864/00
Zaaknummer: 43036
ALIMENTATIE
BESCHIKKING
van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, enkelvoudige familiekamer, in de zaak van:
[naam man],
wonende te [woonplaats man],
hierna ook te noemen de man,
procureur voorheen mr. R.A. Eskes, thans mr. J.A.IJ. van Giffen,
tegen
[naam vrouw],
wonende te Leeuwarden,
hierna ook te noemen de vrouw,
procureur mr. J.S. Bauer.
PROCESGANG
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2001 - waarvan de inhoud als hier ingelast geldt - is de zaak verwezen naar een terechtzitting.
Behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met gesloten deuren van deze enkelvoudige kamer op 24 april 2001.
Bij de stukken bevindt zich brieven van de procureur van de man van 8 mei en 16 mei 2001 en een brief van de procureur van de vrouw van 14 mei 2001.
RECHTSOVERWEGINGEN
Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld en op de inhoud van het dossier, overweegt de rechtbank het volgende.
Hoewel de man er in deze procedure aanvankelijk vanuit ging dat er sprake was van een niet wijzigingsbeding, heeft hij ter terechtzitting in afwijking daarvan zich op het standpunt gesteld dat voor zover er sprake is van een niet-wijzigingsbeding, dit beding niet verbindend is. In verband daarmee heeft hij zijn verzoek gewijzigd. De rechtbank acht deze wijziging van het verzoek, gelet op artikel 429i Rv, toelaatbaar nu de eisen van een goede procesorde hieraan niet in de weg staan; de vrouw wordt hierdoor, zoals uit de verdere procesgang zal blijken, niet onredelijk in haar mogelijkheden om verweer te voeren geschaad. Van een gedekt verweer van de man, zoals de vrouw heeft gesteld, kan hier geen sprake zijn nu de onderhavige procedure een procedure in eerste aanleg is en bovendien de beperking die artikel 348 Rv Pro hieromtrent stelt in een rekestprocedure niet van toepassing is.
Het in artikel 1:159 lid 1 BW Pro gegeven voorschrift, dat inhoudt dat een beding van niet-wijziging slechts schriftelijk kan worden gemaakt, heeft tot doel partijen te weerhouden van het lichtvaardig maken van een beding van niet-wijziging. Een dergelijk beding moet door partijen zelf zijn ondertekend, zoals blijkt uit HR 29 maart 1996, NJ 1997, 101, waarin uitdrukkelijk niet de conclusie van de AG wordt overgenomen die de mogelijkheid openlaat dat het beding ook namens partijen kan worden ondertekend. Aan deze voorwaarde van persoonlijke ondertekening is niet voldaan. Gelet hierop is de beschikking van deze rechtbank van 19 juli 2000 voor zover daarbij een alimentatiebijdrage is vastgesteld in beginsel voor wijziging vatbaar volgens de norm van artikel 1:401 lid 1 BW Pro.
De rechtbank acht zich onvoldoende geïnformeerd omtrent financiële omstandigheden van de man om thans een beslissing te kunnen geven. Zij ziet aanleiding de zaak te verwijzen naar een nadere terechtzitting voor een pro forma behandeling met opdracht aan partijen als na te melden. Daarbij wijst zij erop dat er het niet volledig of tijdig voldoen aan de opdrachten zal kunnen worden uitgelegd ten nadele van de partij die in gebreke blijft. In dat geval zal in beginsel een eindbeslissing volgen.
BESLISSING
De rechtbank:
verwijst de zaak wat betreft de ex-partneralimentatie naar de terechtzitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank van 3 augustus 2001 voor een pro forma behandeling,
draagt de man op om uiterlijk drie weken voor voormelde zitting aan de griffier van de rechtbank en de vrouw te zenden:
- recente bewijsstukken van zijn inkomsten en relevante lasten;
- voor zover de man samenwoont met een partner: bewijsstukken van de inkomsten en lasten van zijn partner;
- een bruto draagkrachtberekening opgemaakt met inachtneming van de Tremanormen en de belastingwetgeving van 2001;
draagt de vrouw op om uiterlijk een week voor voormelde zitting aan de griffier van de rechtbank en de man een schriftelijke reactie te zenden op hetgeen de man tot dan toe heeft gesteld en ingezonden, voor zover zij zich daarmee niet kan verenigen;
bepaalt dat aan de hand van de op voormelde zitting voorhanden zijnde gegevens - zo mogelijk - omtrent de alimentatie een beslissing zal worden genomen, tenzij partijen dan gemotiveerd te kennen hebben gegeven alsnog een mondelinge behandeling te wensen, althans aanhouding tot een nadere pro forma behandeling;
bepaalt dat partijen in geval van aanhouding tot een nadere behandeling in beginsel tegen die behandeling op dezelfde wijze aan voormelde opdrachten dienen te voldoen, voor zover dat dan nog niet is geschied en de rechtbank niet anders heeft bepaald;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. J.D.S.L Bosch., lid van de kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 6 juni 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.
(cc: 327)