ECLI:NL:RBLEE:2001:AB0783
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onderhoudsbijdrage zoon door moeder en vader
De zoon verzocht de rechtbank om te bepalen dat zowel zijn vader als moeder naar rato bijdragen in zijn kosten van levensonderhoud en studie, waarbij hij zijn behoefte stelde op 950 gulden per maand. De moeder stelde primair dat zij onvoldoende draagkracht heeft en subsidiair dat zij niet of verminderd onderhoudsplichtig is vanwege het gedrag van de zoon. Tevens betwistte zij de hoogte van de behoefte en de terugwerkende kracht van de bijdrage.
De rechtbank oordeelde dat de behoefte van de zoon lager is dan door hem gesteld, namelijk circa 791 gulden per maand, en dat de vader de helft hiervan moet dragen. De onderhoudsplicht van de moeder werd beperkt tot 200 gulden per maand vanwege de door haar geschetste situatie omtrent het gedrag van de zoon, welke niet werd weersproken. De draagkracht van de moeder werd vastgesteld op basis van haar gemiddelde resultaat als zelfstandig ondernemer over de laatste drie jaren.
De rechtbank wees terugwerkende kracht af tot 1 juni 1998 en bepaalde de ingangsdatum van de bijdrage op 10 augustus 2000, de datum van indiening van het verzoekschrift. De proceskosten werden gecompenseerd omdat partijen verwanten in de eerste lijn zijn. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen twee maanden.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de moeder tot een maandelijkse bijdrage van 200 gulden en de vader tot 400 gulden aan de zoon, ingaande 10 augustus 2000.