ECLI:NL:RBLEE:2001:AB0675
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.E.M. Daan-van Brink
- L.A.D. Lindenbergh
- J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit vermogensdelicten
De rechtbank Leeuwarden behandelde op 22 maart 2001 een zaak waarin de veroordeelde werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit diverse vermogensdelicten. De officier van justitie had zijn vordering beperkt tot een bedrag van ƒ 67.980,00, maar de rechtbank stelde het voordeel vast op ƒ 63.863,31, waarvan de helft aan de veroordeelde werd toegerekend vanwege medeplegen.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel was gebaseerd op de opbrengsten van de verkoop van diverse goederen zoals heftrucks, auto's, en andere zaken, waarbij ook transportkosten werden meegenomen. De rechtbank bracht de aan benadeelde partijen toegewezen vorderingen ter waarde van ƒ 14.018,00 in mindering, waardoor het definitieve bedrag op ƒ 49.845,31 uitkwam.
Op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht legde de rechtbank de veroordeelde de verplichting op om dit bedrag aan de staat te betalen. Voor het geval van niet-betaling werd vervangende hechtenis van 99 dagen opgelegd, waarbij gedeeltelijke betaling de duur van de hechtenis niet verkort.
De uitspraak werd gedaan door mr. C.E.M. Daan-van Brink, mr. L.A.D. Lindenbergh en mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, waarbij mr. Lindenbergh niet medeondertekende. De veroordeelde was aanwezig en werd bijgestaan door zijn advocaat.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van ƒ 49.845,31 aan de staat met vervangende hechtenis van 99 dagen bij niet-betaling.