ECLI:NL:RBLEE:2000:AA8890
Rechtbank Leeuwarden
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering grootmoeder tot terugkeer van ontvoerde kinderen uit Egypte
In deze zaak vordert de grootmoeder, die het gezag over haar kleinkinderen heeft, dat de vader de verblijfplaats van de kinderen bekendmaakt en dat de kinderen aan haar worden overgedragen. De kinderen zijn in 1998 door de vader naar Egypte gebracht, waar zij sindsdien verblijven tegen de wens van de grootmoeder. De vader is hiervoor veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en zal naar verwachting in december 2000 vervroegd worden vrijgelaten.
De rechtbank beoordeelt de spoedeisendheid van het kort geding als vastgesteld, mede omdat de vader binnenkort vrijkomt en mogelijk zonder duidelijkheid over de kinderen naar Egypte terugkeert. De vordering wordt getoetst aan de Uitvoeringswet van internationale verdragen inzake kinderontvoering, waaronder het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Dit verdrag kent weigeringsgronden, waaronder de geworteldheid van het kind in de nieuwe omgeving.
De rechtbank acht het voorshands aannemelijk dat de kinderen inmiddels in Egypte geworteld zijn, gelet op hun leeftijd, de duur van het verblijf, schoolrapporten en verklaringen van lokale autoriteiten. De grootmoeder heeft onvoldoende tegenbewijs geleverd. Daarom wijst de rechtbank de vordering af en compenseert de proceskosten, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vordering tot terugkeer van de kinderen uit Egypte wordt afgewezen wegens hun geworteldheid in de nieuwe omgeving.